De transitievergoeding en de gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673 b lid 1 BW

image_pdf

Een werkgever is onder de nieuwe Wwz op grond van art. 7:673 lid 1 BW aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en op verzoek van de werkgever is ontbonden. Op basis van art. 7:673 b lid 1 BW wordt art. 7:673 lid 1 niet van toepassing verklaard indien in een cao of regeling door of namens een bevoegd bestuursorgaan voor werknemers als bedoeld in art. 7:673 lid 1 een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. Met andere woorden voornoemde werknemers hebben na de termijn van 24 maanden geen recht op een transitievergoeding indien in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. Is er ook sprake van een gelijkwaardige voorziening indien de voorziening al voor de inwerkingtreding van de Wwz in de cao was opgenomen?

 

Wat was er aan de hand?
De zaak waarin het Gerechtshof Amsterdam op 17 juli 2018 arrest heeft gewezen, betrof een geschil tussen werkgever ABN AMRO BANK N.V. (hierna: ABN AMRO) en diens voormalig werkneemster. De werkneemster is met ingang van 1 januari 2009 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO. Op 16 januari 2014 is werkneemster volledig uitgevallen wegens ziekte. Bij beschikking van 7 juni 2016 heeft het UWV aan werkneemster een WIA-uitkering toegekend.  Bij beslissing van 20 juni 2017 heeft het UWV de ontslagaanvraag van ABN AMRO wegens langdurige arbeidsongeschiktheid afgewezen, omdat ABN AMRO niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat werkneemster niet binnen 26 weken kon herstellen voor het verrichten van haar werk, eventueel in aanpaste vorm. Vervolgens heeft ABN AMRO de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft op basis van art. 7:671 b lid 2 BW jo. 7:669 lid 3 sub b BW de arbeidsovereenkomst ontbonden. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat werkneemster geen aanspraak maakt op een transitievergoeding, omdat in de toepasselijke cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen in de zin van art. 7:673 lid 1 b BW en er evenmin aanleiding bestond om een billijke vergoeding toe te kennen in de zin van art. 7:671 b lid 8 sub c.

Werkneemster komt in hoger beroep op tegen de overweging van de kantonrechter inhoudende dat herstel binnen de redelijke termijn van 26 weken illusoir moeten worden geacht en dat de mogelijkheid tot herplaatsing niet reëel voorkomt. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst daarom ten onrechte heeft ontbonden en maakt aanspraak op een billijke vergoeding in de zin van art. 7:683 lid 3 BW. Tevens voert zij aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij niet in aanmerking komt voor een transitievergoeding en dat er geen plaats is voor het toekennen van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van ABN AMRO.

 

Oordeel Gerechthof Amsterdam

Het Hof is eveneens van oordeel dat niet aannemelijk is dat werkneemster binnen 26 weken gerekend vanaf 20 juni 2017 de bedongen arbeid al dan niet in aangepaste vorm had kunnen hervatten en de herplaatsing binnen een redelijke termijn (twee maanden) al dan niet met behulp van scholing, in een andere functie bij ABN AMRO mogelijk zou zijn geweest. Dit leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:671 lid 1 sub b jo. 7:669 lid 3 sub BW is voldaan.

 

Het Hof vervolgt gezien vorenstaande haar uitspraak met de constatering dat voor een billijke vergoeding op grond van art. 7:683 lid 3 thans geen grond bestaat. Voor toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 sub c wegens ernstig verwijtbaar handelen van ABN AMRO acht het Hof evenmin gronden aanwezig.

 

Transitievergoeding
Tot slot beoordeelt het Hof de vraag of de werkneemster aanspraak maakt op een transitievergoeding gelet op het bepaalde, meer specifiek is er sprake van een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b lid 1 BW. Werkneemster is onder verwijzing van twee beschikkingen van het Gerechthof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:11133,  ECLI:NL:GHARL:2017: 11290) van mening dat de regeling opgenomen in de ABN AMRO cao niet een gelijkwaardige voorziening is in de zin van art. 7:673b lid 1 BW, omdat in de cao vóór invoering van de Wwz al een vergelijkbare regeling was opgenomen. De werkneemster stelt bovendien dat de voorziening in de ABN AMRO cao, meer bepaald een aanvulling op de WIA-uitkering vanaf het derde ziektejaar en premievrije voorzetting van de pensioenopbouw de waarde van de transitievergoeding niet benadert. Als reden hiervoor voert ze aan dat ze volledig herstel waarschijnlijk acht en dit tot gevolg heeft dat de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw in haar geval evenredig wordt verlaagd dan wel gestopt zal worden.

 

Het Hof is anders dan het Hof Arnhem-Leeuwarden van oordeel dat de omstandigheid dat in een cao vóór de inwerkingtreding van de Wwz al een suppletieregeling en een premievoortzetting van de pensioenopbouw bij ontslag tijdens arbeidsongeschiktheid waren opgenomen, er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de huidige cao-regeling als een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b lid 1 BW wordt aangemerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat de cao-regeling door cao-partijen zelf uitdrukkelijk als een zodanige voorziening is aangemerkt.

 

Volgens de MvT op de Wwz moet onder een gelijkwaardige voorziening worden verstaan een voorziening in geld of natura (of combinatie daarvan) die het equivalent vormt van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding. Werkneemster heeft bepleit dat op individueel niveau beoordeeld dient te worden of een voorziening gelijkwaardig is.

Wat daar ook van zij, tussen partijen staat niet ter discussie dat de transitievergoeding € 36.851,31 bruto zou bedragen en dat de waarde van de premievrije voorzetting van de pensioenopbouw bij gelijkblijvende restverdiencapaciteit van werkneemster een bedrag van € 54.489,41 vertegenwoordigt.

 

Gelet daarop dient volgens het Hof de cao-regeling als gelijkwaardig te worden beschouwd aangezien alleen al de waarde van de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw het bedrag van de transitievergoeding ruimschoots overtreft. De waarde van de suppletieregeling is dan nog buiten beschouwing gelaten. Met een volledig herstel van werkneemster hoeft volgens het Hof, anders dan zij bepleit, geen rekening te worden gehouden omdat er geen indicatie is dat daarvan binnen afzienbare termijn sprake zal zijn. Uit de tekst van art. 7:673 b lid 1 BW en de wetsgeschiedenis valt volgens het Hof bovendien niet af te leiden, hoewel gek genoeg een alinea eerder het Hof toch de waarde van de transitievergoeding vergelijkt met de waarde van de premievrije voorzetting van de pensioenopbouw in een concreet geval, dat bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de cao als de onderhavige bepalend is hoe de financiële waarde in een concreet geval uitvalt.

 

Het voornoemde leidt tot de conclusie dat werkneemster geen aanspraak heeft op een transitievergoeding,aangezien de cao-regeling als een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in art. 7:673b lid 1 BW heeft te gelden.

 

Conclusie
Concluderend kan worden vastgesteld dat de omstandigheid dat in een cao voor de inwerkingtreding van de Wwz al een suppletieregeling en een premievoortzetting van de pensioenopbouw bij ontslag tijdens arbeidsongeschiktheid waren opgenomen, er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de huidige cao-regeling als een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b lid 1 BW wordt aangemerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat de cao-regeling door cao-partijen zelf uitdrukkelijk als een zodanige voorziening is aangemerkt.

 

Dit in tegenstelling tot de vergelijkbare gevallen waarover Gerechtshof Arhnem Leeuwarden een oordeel heeft gegeven (ECLI:NL:GHARL:2017:11133,  ECLI:NL:GHARL:2017: 11290). Uit de tekst van art. 7:673 b lid 1 BW en de wetgeschiedenis valt bovendien niet af te leiden dat bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de cao als de onderhavige bepalend is hoe de financiële waarde in een concreet geval uitvalt.

Om een duidelijke oordelenlijn te ontdekken met betrekking tot een gelijkwaardige  voorziening in de zin van 7:673 b lid 1 die al bestond voordat de Wwz in werking was getreden is het wachten tot een volgend vonnis c.q. arrest van een gerechtelijke instantie.

Bettina Oostendorp
Over Bettina

Bettina is vanaf 1 mei 2018 in de functie van juriste werkzaam bij Gommer & Partners. Zij is in 2018 afgestudeerd aan Rijksuniversiteit Groningen in de afstudeerrichtingen Staats- en bestuursrecht en Ondernemingsrecht. Haar belangstelling gaat vooral uit naar het arbeidsrecht, en [...]

Bekijk profiel