Eigen woning: geen tegenstrijdigheid BW en Wet IB 2001

Verzoekschrift

Belanghebbende (M) en diens vrouw (K) zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Dat maakt dat er gescheiden vermogens zijn in civielrechtelijke zin. M woont in een woning die alleen hem toebehoort. K is eigenaresse van haar eigen woning. Volgens het BW is er geen samenwoonverplichting meer voor gehuwden. Het toenmalige artikel 1:83 BW, waarin een samenwoonverplichting was opgenomen voor gehuwden en geregistreerd partners, is vervallen per 22 juni 2001.


Volgens de Wet IB 2001 bezitten zij gezamenlijk twee woningen, waarbij zij een keuze moeten maken welke daarvan zij aanmerken als ‘eigen woning’ in fiscale zin (artikel 3.111 lid 9 Wet IB 2001). M vindt dat tegenstrijdig.

 

In een verzoekschrift bij de Vaste Commissie van Financiën van de Tweede Kamer vraagt hij hierover een standpunt.

Reactie minister van Financiën

Minister Hoekstra stelt dat de constatering van M over de verschillen tussen BW en de Wet IB 2001 klopt, maar dat dit niet betekent dat het een tegenstrijdigheid is. Civielrecht en fiscaal recht bestaan naast elkaar. Juridisch kunnen partners hun manier van samenleven inrichten zoals zij willen. Vervolgens heeft de (fiscale) wetgever aangegeven dat fiscale partners maar één eigen woning kunnen hebben (artikel 3.111 lid 9 Wet IB 2001) De wijze van belastingheffing heeft immers een heel andere motivatie dan het civiele recht. Daarom is het niet altijd onlogisch dat deze niet synchroon lopen.

Binnen het belastingrecht is het uitgangspunt de civielrechtelijke situatie, maar wordt fiscaal van afgeweken als de wetgever daar een goede aanleiding toe ziet. Het vervallen van de samenwoonverplichting verandert bovendien niets aan de fiscale behandeling van fiscale partners met meerdere woningen. Ook voor de opheffing van artikel 1:83 BW (in 2001) was het al zo dat fiscale partners slechts één woning in box 1 konden hebben.

Partnerbegrip sinds 2011

Sinds 1 januari 2011 is er een algemeen partnerbegrip opgenomen in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (artikel 5a AWR). Dat is een bewuste keuze geweest: vanaf dat moment kan fiscaal partnerschap naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Gehuwden zijn sindsdien altijd elkaars partner in fiscale zin. Hierop zijn slechts twee uitzonderingen:

 

  1. Een echtpaar dat van tafel en bed is gescheiden en
  2. Een echtpaar dat een verzoek tot scheiding (of scheiding van tafel en bed) heeft ingediend èn niet meer op hetzelfde adres staat ingeschreven

M en K waren al in 2009 gehuwd. Toch stelt de minister dat ook gehuwden vóór 2011 al fiscaal partners waren, als ze niet op hetzelfde adres ingeschreven stonden, zolang ze maar beiden in Nederland woonden.

 

Voor de zekerheid, zo lijkt het, heeft de wetgever in 2011 een zinnetje toegevoegd aan artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001, dat luidt: “Voor de toepassing van dit lid en van het achtste lid wordt onder de gewezen partner mede verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.”

 

Het achtste lid van artikel 3.111 Wet IB 2001 stelt dat partners niet meer dan één woning kunnen hebben.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 juli 2019 geoordeeld dat het toegevoegde zinnetje helemaal geen betekenis heeft. De term ‘gewezen partner’ komt namelijk niet voor in artikel 3.111 lid 8 Wet IB 2001, waardoor de verwijzing nergens op slaat. In diezelfde hofuitspraak wordt dan ook geoordeeld dat twee partners (die al heel lang niet meer samenwoonden), elk met een eigen woning, slechts één van die woningen als eigen woning konden aanmerken.

Hardheidsclausule

De minister gaat tot slot in op een mogelijke vervolgstap van M. Er bestaat immers altijd een mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 AWR). De hardheidsclausule geeft de bevoegdheid in speciale gevallen af te wijken van de wet.

 

M doet geen verzoek tot toepassing daarvan, maar de minister wil dat voor zijn. Zelfs als M dat wel had gedaan, zou de minister deze hardheidsclausule niet hebben toegepast. Dat doet hij alleen bij een ‘onbillijkheid van overwegende aard’ en daarvan is geen sprake. Dit is alleen het geval als de wet anders (en onwenselijk) uitwerkt dan vooraf voorzien, en dat is hier niet het geval.

Het belang van M bij zijn verzoekschrift

Uit de reactie van de minister op het verzoekschrift, blijkt niet welk belang M heeft bij zijn verzoekschrift. Maar daar kan wel op worden gespeculeerd: als een woning als fiscale eigen woning wordt aangemerkt, valt de waarde ervan niet in box 3 en is er geen vermogensrendementsheffing over verschuldigd.

 

Wellicht is er een nog groter belang: de schuld die is aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van die eigen woning kan kwalificeren als eigenwoningschuld. Dat maakt dat de rente aftrekbaar zou zijn.

 

Als M en K beiden een eigen woning zouden hebben in fiscale zin, zouden zij dus ook beiden een eigenwoningschuld hebben met renteaftrek. Uit de (niet verrassende) reactie van de minister blijkt dat dit dus ook niet kan.