Eisen internationale waardeoverdracht niet in strijd met EU-recht

Op 13 januari 2017 is de Pensioenfondsenrichtlijn of Institutions for Occupational Retirement Provision (IORP II) in werking getreden. Uiterlijk 2 jaar na dato, dus op 13 januari 2019 moet de IORP II geïmplementeerd zijn in de wetgeving van de Europese lidstaten.

 

Op 18 oktober 2018 is het wetsvoorstel voor de implementatie van de IORP II door de Tweede Kamer aangenomen. Hiermee werd ook de Nota van Wijziging, op grond waarvan het goedkeuringsrecht van het verantwoordingsorgaan c.q. het belanghebbendenorgaan van een pensioenfonds voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht vervangen door de eis dat goedkeuring vereist is van een tweederdemeerderheid van de deelnemers en gewezen deelnemers en een tweederdemeerderheid van de pensioengerechtigden die hebben gereageerd op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek (artikel 90a PW).

Naar aanleiding van deze wijziging zijn vragen gesteld over een vermeend verboden onderscheid op grond van nationaliteit tussen binnenlandse en grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten. Voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten is immers een 2/3 meerderheid vereist, terwijl dit niet geldt voor binnenlandse collectieve waardeoverdrachten. Volgens minister Koolmees van SZW zou dit onderscheid in de IORP II-richtlijn zitten, zodat deze zwaardere eis niet in strijd zou zijn met Europees Recht.

 

Deze kwestie is vervolgens voorgelegd aan de Afdeling advisering van de raad van State met her verzoek te toetsen of deze zwaardere vereiste van 2/3 meerderheid een toegestane beperking vormt op de grensoverschrijdende waardeoverdracht volgens de richtlijn, met inachtneming van de fundamentele vrijheden en rechtsbeginselen van de Europese Unie, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie naar nationaliteit, en in hoeverre sprake is van een te rechtvaardigen onderscheid. Tevens wordt de vraag gesteld in hoeverre het de lidstaten vrij staat het begrip meerderheid te definiëren overeenkomstig het nationale recht, zoals artikel 12, derde lid, onder a, van IORP II dat toestaat.

 

  1. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de voorgestelde goedkeuringsprocedure voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten in strijd is met artikel 12, derde lid, onder a, van de richtlijn of anderszins in strijd zou komen met het Europese Unierecht. Er is weliswaar sprake van ongelijke behandeling tussen binnenlandse en grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten, maar het gaat om ongelijke gevallen die om die reden ongelijk mogen worden behandeld. Dat onderscheid ligt besloten in de richtlijn zelf.
  2. Bij de definiëring van het begrip meerderheid moet balans gevonden worden tussen het belang van voldoende draagvlak bij de deelnemers en gepensioneerden voor de grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht en het belang dat een dergelijke collectieve waardeoverdracht niet onnodig wordt bemoeilijkt. Daarnaast is van belang dat de richtlijn minimumeisen stelt, die door de lidstaten kunnen worden aangescherpt, ter Europese Unierecht en verder proportioneel zijn ten aanzien van het daarmee te bereiken doel.
  3. De eis van 2/3 meerderheid van de betrokken deelnemers en een 2/3 meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden, die hebben gereageerd op het verzoek vormt enerzijds een relatief hoge drempel, maar anderzijds gaat het niet om een meerderheid van alle deelnemers en een meerderheid van alle pensioengerechtigden. Het gaat daarbij alleen om diegenen die hebben gereageerd, hetgeen een relatief lage drempel tot gevolg kan hebben. Bovendien is geen minimale respons vereist. Het maakt dus niet uit hoeveel deelnemers en gepensioneerden hebben gereageerd.

Als slotconclusie geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aan geen aanleiding te zien om te veronderstellen dat de goedkeuringsprocedure voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten in strijd is met artikel 12, derde lid, onder a, van de richtlijn of anderszins in strijd zou komen met het Europese Unierecht.

 

 

 

Hans Swagten
Over Hans

Drs. Hans C.G. Swagten CPC is pensioeneconoom en Certified Pension Consultant (CPC). Hij heeft een ruime ervaring in pensioenadvisering en treedt regelmatig als docent op bij verschillende pensioenopleidingen. Daarnaast is hij voorzitter van de Examencommissie van de MPLA van Oysterwyck [...]

Bekijk profiel