Erflater belast voor 100% waarde van uitkering uit ontslagstamrecht

Op 13 februari 2019 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak (BK 18/00660) waarbij in geschil was of de inspecteur terecht de volledige waarde van de ontslagstamrechtuitkering in de heffing van IB heeft betrokken. Het ging in de zaak om het volgende.

 

Belanghebbende, de erflater in deze procedure (procedure is op een zeker moment voortgezet door de erven), had in verband met de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 december 2005 recht op een ontslagvergoeding van € 996.679. De erflater is in een stamrechtakte overeengekomen dat die vergoeding werd ingebracht in een op te richten rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, lid 1, letter g Wet LB 1964 (tekst tot 2014). Op 16 augustus 2005 is de ontslagvergoeding als koopsom voor een ontslagstamrecht gestort in een BV, waarvan de erflater van 16 augustus 2005 tot 1 december 2014 alle aandelen hield.

 

Op 31 december 2013 bedroeg de waarde van de ontslagstamrechtverplichting € 196.265. De BV is eind 2014 geliquideerd. Op die datum had het stamrecht een waarde van € 197.538. Bij de liquidatie van de BV heeft de erflater het stamrecht afgekocht. Daarbij is met toepassing van artikel 39f, lid 3, Wet LB (tekst 2014) een bedrag van € 158.030 (80 percent van € 197.538) aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. De ter zake van de afkoop van het ontslagstamrecht af te dragen LH (€ 81.728) is ten behoeve van de BV voldaan door de erflater uit privémiddelen. Zowel het nettobedrag van de stamrechtuitkering als het bedrag van de door erflater betaalde LH is in de rekening-courantverhouding van de erflater met de BV geboekt.

 

Het hof heeft het volgende overwogen. De inspecteur heeft in hoger beroep onweersproken gesteld dat het de erflater bij het betalen van de LH ten behoeve van de BV aanstonds duidelijk is geweest dat de BV dit bedrag nimmer aan hem zou kunnen terugbetalen. Dit brengt volgens het hof mee dat het door de erflater betaalde bedrag aan LH (€ 81.728) moet worden aangemerkt als een informele kapitaalstorting door de erflater in de BV en dus niet als schuld van de BV aan de erflater. Dus had de BV op de liquidatiedatum een bedrag van € 815 (saldo volgens liquidatiebalans – € 80.913, vermeerderd met de als schuld geboekte informele kapitaalstorting van € 81.728) van de erflater te vorderen. Dit leidt volgens het hof tot de conclusie dat de erflater de stamrechtuitkering volledig heeft genoten door verrekening van het nettobedrag daarvan met zijn schuld in rekeningcourant aan de BV. Het hof concludeert dat de inspecteur de stamrechtuitkering dan ook terecht volledig in de heffing van IB heeft betrokken. Het hof heeft daarmee de eerdere uitspraak van Rechtbank Den Haag van 17 april 2018, nr. SGR 17/7965, bevestigd.

 

De uitspraak van het hof is op 28 mei 2019 gepubliceerd.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel