Geen deelnemingsvrijstelling voor ontvangen rentevergoedingen wegens te late betaling

De Hoge Raad heeft op 25 september 2020 uitspraak gedaan in hoeverre de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op ontvangen rentevergoedingen wegens de te late betaling van een earn-outvergoeding en een vergoeding in het kader van een anti-speculatiebeding in verband met de verkoop van een deelneming.

Belanghebbende is een bv die een 50%-deelneming heeft verkocht. In de verkoopovereenkomst is een earn-outvergoeding en een vergoeding inzake een anti-speculatiebeding opgenomen. Belanghebbende is tegen de koper een civiele procedure gestart over onder meer de hoogte van beide vergoedingen. De civiele rechter heeft de hoogte van beide vergoedingen en een rentevergoeding over de beide vergoedingen wegens te late betaling vastgesteld.

In geschil is of de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de door belanghebbende ontvangen rentevergoedingen. Volgens Hof Den Bosch is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing.

De Hoge Raad overweegt dat het in artikel 13 lid 6 Wet Vpb gehanteerde begrip ‘prijs’ moet worden opgevat als: hetgeen de vervreemder bij de vervreemding van de deelneming als tegenprestatie verkrijgt. De ontvangen rentevergoeding over de earn-outvergoeding maakt geen deel uit van de prijs, omdat deze rentevergoeding het gevolg is van de te late betaling door de koper. De deelnemingsvrijstelling is dus niet van toepassing.

Inzake de rentevergoeding over de anti-speculatievergoeding oordeelt de Hoge Raad dat deze rente ook het gevolg is van de te late betaling door de koper, waardoor de rente geen voordeel is in de zin van artikel 13 lid 1 Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling is dus niet van toepassing.