Geen dwaling, vaststellingsovereenkomst blijft in stand

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 september 2019 uitspraak gedaan of er sprake is geweest van dwaling bij het stand komen van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW inzake de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de partneralimentatie.

Partijen gaan scheiden. Zij hebben inzake de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (verrekening) en de partneralimentatie een overeenkomst gesloten die kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW.

 

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van wilsgebreken, te weten dwaling, misbruik van omstandigheden en bedrog (artikel 6:228 BW, artikel 3:196 BW en artikel 3:44 BW).

 

Hof Arnhem-Leeuwarden stelt voorop dat een vaststellingsovereenkomst slechts onder uitzonderlijke omstandigheden aantastbaar is. Voor wat betreft het deel dat op de verrekening ziet, overweegt het hof dat op grond van artikel 3:199 BW in samenhang met artikel 1:135 lid 2 BW, de algemene dwalingsbepaling van artikel 6:228 BW niet van toepassing is. Voor zover het beroep op dwaling ziet op de afspraak over de partneralimentatie geldt dat de algemene dwalingsbepaling van artikel 6:228 BW terughoudend dient te worden toegepast in geval van een vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de stellingen inzake dwaling echter onvoldoende onderbouwd.


Verder oordeelt het hof dat de vrouw ook het beroep op misbruik van omstandigheden en bedrog onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.