Geen recht op partnerpensioen na verzoek om informatie bij pensioenfonds

Recentelijk moest Rechtbank Amsterdam[1] zich uitlaten over de vraag of de partner van een overleden deelnemer aan een pensioenregeling, alsnog in aanmerking kwam voor een partnerpensioen. Wat was er aan de hand?



[1] Rechtbank Amsterdam, 18 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1049

 

Eiseres is partner van een deelnemer aan de pensioenregeling. Sinds 1 juli 2014 ontving de deelnemer een tijdelijk ouderdomspensioen. Per 1 juli 2017 zou het levenslange partnerpensioen tot uitkering komen. De deelnemer is echter op 18 mei 2016 overleden.

 

Op het moment van pensioeningangsdatum was geen partnerpensioen voor eiseres verzekerd, omdat niet voldaan werd aan de voorwaarden van een geregistreerd partnerschap. In september 2015 hoort de deelnemer dat hij ongeneeslijk ziek is. In november 2015 gaan de deelnemer en eiseres alsnog een geregistreerd partnerschap aan. In december 2015 neemt de deelnemer contact op met het pensioenfonds, waarin hij aangeeft dat hij een geregistreerd partnerpensioen is aangegaan en of het mogelijk is alsnog een partnerpensioen te realiseren. Over deze vraag vindt telefonisch overleg plaats, waarin gesproken wordt over het uitruilen van een deel van het ouderdomspensioen in partnerpensioen op pensioendatum. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 10 van het pensioenreglement. In artikel 9 is de mogelijkheid van vervroegen opgenomen.

 

Na het overlijden stelt eiseres zich op het standpunt dat de deelnemer niet goed is geïnformeerd. Hij is wel gewezen op de mogelijkheid van uitruil, maar niet op de mogelijkheid van vervroeging van het ouderdomspensioen in combinatie met de mogelijkheid van uitruil. Daarmee is sprake van een onrechtmatige daad omdat het pensioenfonds tekort is geschoten in haar informatie- en zorgplicht.

 

Het pensioenfonds verweert zichzelf door allereerst te stellen dat niet vast staat dat vervroeging niet aan de orde is geweest tijdens het gesprek in december 2015. Daarbij komt dat de deelnemer het pensioenfonds niet heeft geïnformeerd over zijn gezondheidstoestand. Zonder aanleiding hiertoe, hoeft een medewerker van het pensioenfonds niet te wijzen op de mogelijkheid van vervroeging. Het pensioenfonds wist niet welke informatie aansloot op de behoefte van de deelnemer. Het pensioenfonds betwist ook het causale verband tussen de schade en de gestelde tekortkoming. Het is niet zeker of de deelnemer zou hebben uitgeruild en zo ja in welke mate, als hij gewezen was op de mogelijkheid van vervroegen. Tot slot stelt het pensioenfonds zich op het standpunt dat zij alleen de informatie- en/of zorgplicht jegens de deelnemer zou kunnen schenden, maar niet jegens eiseres.

 

De Rechtbank gaat ervan uit dat vervroeging niet tijdens het telefoongesprek is besproken. Dan moet de vraag beantwoord worden of het pensioenfonds dit wel had moeten doen. Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 46 lid 2 jo 48 leden 1 t/m3 van de Pensioenwet. Deze informatie kan ook op de persoon toegesneden zijn, waarbij het pensioenfonds niet als adviseur fungeert. Vervroegen en uitruilen zijn niet onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als over uitruil wordt gesproken, hangt het van de specifieke situatie af of vervroegen ook aan bod zou moeten komen. Nu de deelnemer het pensioenfonds niet heeft geïnformeerd over zijn ziekte, hoefde dit niet te gebeuren. Het pensioenfonds heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld, hoewel de Rechtbank wel van mening is dat de situatie heel ongelukkig uitvalt voor eiseres.  

 

Rechtbank Amsterdam, 18 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1049

 

 

Linda Evers
Over Linda

Mr. Linda Evers MPLA is sinds 2004 werkzaam als advocaat bij Gommer & Partners, daarvoor was zij werkzaam bij diverse verzekeraars en pensioenfondsen als pensioenjurist. Zij is lid van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen, treedt regelmatig op als docent en publiceert in [...]

Bekijk profiel