Geen verlenging van de alimentatieduur als gevolg van de stijging van de AOW-leeftijd

image_pdf

Op 17 juni 2003 is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 800,– per maand, welke uitkering op 11 maart 2004 verhoogd is naar € 885,– per maand. Met ingang van 14 maart 2007 betaalt de man € 1.500,– per maand. Tot 15 maart 2016 heeft de man een bedrag van laatstelijk (geïndexeerd) € 1.739,95 aan de vrouw voldaan.

De vrouw verzoekt de rechtbank de termijn voor de alimentatie van € 1.739,95 per maand te verlengen tot 21 mei 2017. Zij stelt daartoe dat de betalingsverplichting van de man op 15 maart 2016 is geëindigd en dat de man pas per 21 mei 2017 AOW ontvangt. Per die datum gaat ook het met de vrouw te verevenen pensioen over de huwelijkse jaren in. De vrouw stelt dat het irreëel is dat zij, gezien haar gezondheid en leeftijd (62 jaar), nog inkomen kan verwerven uit een arbeidsovereenkomst. Volgens de vrouw doet zich een uitzonderlijke situatie voor, omdat de gevolgen van de beëindiging van de alimentatie ingrijpend zouden zijn. Zonder de alimentatie zou zijn alleen een WAO-uitkering ten bedrage van € 1.045,31 netto per maand ontvangen, waarvan zij niet rond zou kunnen komen. De vrouw stelt dat het niet redelijk is dat zij inteert op haar vermogen, nu zij dat vermogen al had ten tijde van het vaststellen van de alimentatieverplichting in 2004. Zij stelt verder dat zij er twaalf jaar geleden op mocht vertrouwen, dat zij kort na het aflopen van de alimentatietermijn een bijdrage van de man middels zijn pensioen zou ontvangen. En dat zij destijds niet kon weten dat de wetgever de pensioengerechtigde leeftijd thans zou veranderen. 

De rechtbank oordeelt dat krachtens artikel 1:157 lid 5 BW de verlening van de twaalfjaarstermijn alleen sprake zijn, indien de beëindiging als gevolg van het verstrijken ervan van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd. Uit de memorie van toelichting behorend bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot die bepaling blijkt, dat limitering van de alimentatieplicht de hoofdregel is en dat verlenging van de termijn slechts mogelijk is in bijzondere gevallen. Daarbij is de gedachte geweest dat de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen, weliswaar verplicht om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar niet rechtvaardigt dat deze verplichting na het einde van het huwelijk ongelimiteerd blijft voortduren. Voor de duidelijkheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het uitgangspunt dat aan elke alimentatieverplichting in beginsel een definitief einde komt nadat twaalf jaren zijn verstreken na ontbinding van het huwelijk. Een nadien ingediend verleningsverzoek brengt dan mee dat het aan de alimentatiegerechtigde is om te stellen, en bij betwisting aan te tonen, dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, die een dergelijke verlening rechtvaardigt.

De rechtbank beantwoord de vraag of de inkomensterugval van de vrouw in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, ontkennend. Volgens de rechtbank is er, op basis van hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin afwijking van de twaalfjaar termijn gerechtvaardigd is. Hierbij is in aanmerking genomen dat de vrouw beschikt over een substantieel, vrij te besteden vermogen waarmee zij geacht wordt om haar uitkering, in de periode totdat zij krachtens pensioenverevening een pensioen ontvangt, aan te vullen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat het vermogen van de vrouw in 2016 ten opzichte van 2014 met circa € 20.000,– is toegenomen, zodat niet gebleken is dat de vrouw, zoals zij stelt, aanzienlijk heeft ingeteerd op haar vermogen de afgelopen jaren. Ook als zij haar WAO-uitkering zelf aanvult met het bedrag dat daarvoor benodigd is (€ 12.000,– netto) blijft er volgens de rechtbank nog een substantieel vermogen tot haar beschikking. Het geen de vrouw nog stelt over de wijziging door de wetgever van de pensioengerechtigde leeftijd, kan haar ook niet baten omdat de wetswijziging op iedere burger in Nederland van toepassing is. Volgens de rechtbank valt niet in te zien waarom de gevolgen hiervan voor de man zouden moeten komen. Dit zou alleen anders zijn indien de vrouw haar alimentatieaanspraak beperkt zou hebben tot de datum waarop de man 65 jaar zou worden, ervan uitgaande dat zij dan aanspraak op pensioen zou hebben, maar daar is in de onderhavige kwestie geen sprake van. Rechtbank Amsterdam, 11 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:14

 

Maaike Theunis
Over Maaike

Maaike Theunis is in 2011 arbeids- en sociaalrechtelijk afgestudeerd aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens haar studie heeft ze extra verdiepende cursussen gevolgd in het kader van het tweejarig topklasprogramma van de Universiteit van Tilburg. Uiteraard heeft ze Pensioenrecht als [...]

Bekijk profiel