Gegoochel met aanschafwaarde

Rechtbank Rotterdam oordeelt dat ondanks onjuiste informatie over de koopsommen van verzekerde vaartuigen het recht op uitkering na schade niet geheel vervalt.

In polisvoorwaarden is vaak een waarde aangegeven die de uitkering bepaalt. In een uitspraak voor Rechtbank Rotterdam, bleek dat er behoorlijk gegoocheld was over de exacte waarde van de verzekerde vaartuigen, leenbedragen en nabetalingen daarvoor etc. en dat betaalde bedragen de gestelde prijzen niet zouden kunnen onderbouwen.

 

De rechtbank wijst erop dat de verzekeraar op grond van het Burgerlijk Wetboek het vervallen van het recht op uitkering bij het schenden van de plicht om de juiste informatie aan te leveren slechts kan bedingen onder de voorwaarde dat de verzekeraar in diens belangen moet zijn geschaad.

 

Verzekeraar heeft dat wel gesteld, maar volgens de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd. De rechtbank twijfelt of wel sprake is geweest van het majoreren met koopprijzen met als doel verzekeraar te misleiden. Het gebruik van verkeerde BTW-tarieven wijst daar nog onvoldoende op. De rechtbank vindt dat het begrip ‘aanschafwaarde’ in redelijkheid moet worden uitgelegd. Het gaat daarbij dan om de in totaal wegens de aanschaf van het vaartuig daadwerkelijk verschuldigde en betaalde bedragen. In beginsel maakt het daarbij niet uit wanneer en op welke wijze deze zijn betaald. De uitkeringsgerechtigde heeft daarvoor de bewijslast.

 

Nu er in deze zaak wisselende verklaringen zijn afgelegd, moeten daar hoge eisen aan worden gesteld. In dit geval zijn er soms zulke ingewikkelde verrekeningen toegepast dat dit bewijs niet altijd lukt. Ook een bij het schip aangekochte waterkavel en de erfpacht daarvoor bijvoorbeeld hoort niet tot de aanschafwaarde.  

 

Voor de liefhebbers een leuke verzekeringsrechtzaak. Wel blijkt dat de regel dat verzekeraar moet aantonen dat in diens belangen te zijn geschaad vaak nuttig is, maar ook soms aanpak van potentiële fraude in de weg kan staan vanwege de bewijslastverdeling.