Heffingsbevoegdheid ter zake van afkoopsom van loonstamrecht toegewezen aan Nederland

Op 19 mei 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een zaak waarbij de Raad zich heeft uitgelaten over de heffingsbevoegdheid ter zake van de afkoopsom van een loonstamrecht dat bij ontslag is toegekend door een werkgever in Nederland, terwijl de ontslagvergoeding (mede) betrekking heeft op de periode waarin de (ex-)werknemer in de Verenigde Staten van Amerika (VS) werkzaam was (nr. 16/02648). Belanghebbende heeft ruim 30 jaar in de VS gewoond en aldaar in dienstbetrekking gewerkt voor een concern. Eind 2011 is belanghebbende naar Nederland verhuisd. Vanaf eind 2011 tot begin 2012 is hij in dienstbetrekking geweest bij een Nederlandse dochteronderneming van het betreffende concern. In 2012 is belanghebbende ontslagen. Daarbij heeft hij een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een loonstamrecht. Onder gebruikmaking van de loonstamrechtvrijstelling (art. 11, lid 1, ond. g Wet LB 1964) werd de ontslagvergoeding ondergebracht bij een daartoe opgerichte stamrecht-BV. In 2014 heeft belanghebbende het loonstamrecht afgekocht. Op de afkoopsom werd loonheffing ingehouden.

Volgens de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/3918) was bij afkoop sprake van een louter nationale situatie waarop het belastingverdrag Nederland – Verenigde Staten niet van toepassing is. Tegen de uitspraak is belanghebbende in (sprong)cassatie gegaan.

Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting en heeft de rechtbank miskend dat van belang is dat de afkoopsom van het stamrecht zijn oorsprong vindt in een ontslagvergoeding die binnen het bereik valt van dat verdrag. Het gaat in deze zaak om een ontslagvergoeding die is toegekend aan een inwoner van Nederland door een in Nederland gevestigde werkgever, welke (mede) betrekking heeft op de periode waarin deze werknemer in de VS werkzaam was. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat, indien en voor zover de ontslagvergoeding niet ten laste is gekomen van een werkgever die inwoner is van de VS (of van een vaste inrichting of vast middelpunt van die werkgever in de VS), de band van die vergoeding met het arbeidsverleden in de VS onvoldoende is om te kunnen oordelen dat de ontslagvergoeding een beloning vormt voor de uitoefening van de dienstbetrekking in de VS. Op basis van de gedingstukken concludeert de Raad dat de door de werkgever in Nederland toegekende ontslagvergoeding niet is doorbelast aan de (ex-)werkgever in de VS en dat de belastingheffing over de afkoopsom is toegewezen aan Nederland.

Het arrest is op 19 mei 2017 gepubliceerd.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel