Het pensioen van de flexwerker

Onlangs is er een artikel gepubliceerd onder de titel “Bijna 1 op 5 werknemers is flexwerker”. Naar aanleiding hiervan zijn er Kamervragen gesteld over de pensioenopbouw van de flexwerker. In dit artikel wil ik hierbij stilstaan.

Het CBS verstaat onder de term “werknemers met een flexibele arbeidsrelatie” personen die een arbeidsovereenkomst hebben  die van beperkte duur is of die niet voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst zijn. Het gaat dan om werknemers met een tijdelijk dienstverband met vaste uren, oproep- en invalkrachten, uitzendkrachten en werknemers met een tijdelijk of vast  dienstverband zonder vaste uren. Zelfstandigen vallen niet onder de definitie.

De toename van het aantal flexwerkers in de afgelopen jaren is te verklaren door de toegenomen behoefte aan flexibiliteit bij werkgevers, technische ontwikkeling en een steeds grilligere economie.  Flexibele contracten maken het voor werkgevers mogelijk om hun personeelsbestand aan te passen aan de fluctuatie in de benodigde arbeid. Verder willen werkgevers vaak eerst de capaciteit van de werknemer beoordelen voordat ze hem of haar in vaste dienst nemen. Voor werknemers kunnen flexibele contracten juist de kans zijn om toe te treden tot de arbeidsmarkt om zichzelf te bewijzen.

Het maken van onderscheid in de arbeidsvoorwaarde pensioen tussen een werknemer met een vast contract en een werknemer met een flexibel contract is op grond van het burgerlijk wetboek verboden tenzij dit onderscheid object gerechtvaardigd is. De Pensioenwet kent diverse bepalingen op basis waarvan deeltijdwerkers gelijk behandeld dienen te worden als fulltimers.

Ten aanzien van de opname in de pensioenregeling biedt de Pensioenwet de mogelijkheid om de deelname pas vanaf 21 jaar te laten plaatsvinden. Deze bepaling werkt dus voor alle werknemers gelijk uit. Verder mogen er geen drempel-of wachttijden worden gehanteerd die afwijken van hetgeen de Pensioenwet toestaat. Dit is twee maanden voor de opbouw van het ouderdomspensioen, met een afwijkende bepaling voor de uitzendbranche van 6 maanden, en een verbod op een drempel- of wachtperiode voor het nabestaanden-  en het arbeidsongeschiktheidspensioen.

De conclusie ten aanzien van het pensioen van de flexwerker is dus simpel te trekken. Het soort arbeidscontract en de hoeveelheid afgesproken uren mag geen invloed hebben op de deelname aan de pensioenregeling!

Wel kan het natuurlijk voorkomen dat de pensioenopbouw voor de flexwerker zo laag uitvalt dat deze niet opweegt tegen de kosten van de pensioenuitvoerder. Dit kan zich voordoen bij een beschikbare premieregeling waarbij de kosten van de pensioenuitvoerder hoger liggen dan de voor de werknemer ingelegde pensioenpremie. Vanaf 01 januari 2015 is dit probleem, door de overgang naar netto premiestaffels, ook verleden tijd!