Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Hoeveel buffervermogen kwalificeert nog als ondernemingsvermogen?

Het overlijden van een DGA betekent dat over de aanmerkelijkbelangclaim in beginsel moet worden afgerekend. Onder voorwaarden is het echter mogelijk om de aanmerkelijkbelangclaim door te schuiven (artikel 4.17a Wet IB 2001). Een van de voorwaarden is dat er sprake moet zijn van ondernemingsvermogen. Het lastige is wat wel en wat niet als ondernemingsvermogen kwalificeert.


Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 juli 2019 uitspraak gedaan in een casus waarbij in geschil was hoeveel buffervermogen in dit kader nog als ondernemingsvermogen kwalificeert.

De casus

Een bv heeft pensioentoezeggingen gedaan aan A. De commerciële waarde van de pensioenverplichting bedraagt € 57.833 en de fiscale waarde € 27.108. De aandelen in deze bv behoren tot de gemeenschap van goederen. A en zijn echtgenote hebben twee kinderen. De echtgenote (erflaatster) van A overlijdt in 2010.

 

Belanghebbenden (A en zijn twee kinderen) hebben namens erflaatster in haar aangifte inkomstenbelasting geen resultaat aangegeven in verband met een (fictieve) vervreemding van 50% van de aanmerkelijkbelangaandelen door haar overlijden. De inspecteur legt echter een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op en stelt het fictieve vervreemdingsvoordeel op de aandelen vast op € 262.162.

Het geschil

Belanghebbenden zijn het niet met de inspecteur eens. Zij stellen dat de inspecteur het vervreemdingsvoordeel, na toepassing van artikel 4.17a Wet IB 2001, niet op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Volgens hen bedraagt het fictieve vervreemdingsvoordeel slechts € 64.913. Hierbij gaan belanghebbenden er van uit dat de bv een buffervermogen van ruim € 550.000 dient aan te houden dat als ondernemingsvermogen kwalificeert.


Hof Den Bosch heeft op 6 oktober 2017 belanghebbenden in het gelijk gesteld.

 

De Hoge Raad heeft op 21 september 2018 echter geoordeeld dat het onredelijk lijkt om een buffervermogen van ruim € 550.000 aan te houden bij een pensioenverplichting met een commerciële waarde van € 57.833. De Hoge Raad verwijst de zaak derhalve naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

Overwegingen en oordeel Hof Arnhem-Leeuwarden

Hof Arnhem-Leeuwarden constateert dat na cassatie niet alleen in geschil is of de inspecteur het vervreemdingsvoordeel op het juiste bedrag heeft vastgesteld maar dat in het bijzonder in geschil is of het bij een pensioenverplichting van € 57.833 redelijk is om een buffer van ruim € 550.000 aan te houden. Daarbij is het uitgangpunt dat de met de pensioenverplichting verband houdende bezittingen in dit geval niet beperkt zijn tot de commerciële waarde van die verplichting, aangezien in cassatie niet is bestreden dat bij de beantwoording van de vraag welk deel van de overdrachtsprijs kan worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen van de bv, in dit geval rekening mag worden gehouden met enige buffer voor het geval zich een slecht scenario zal manifesteren.

 

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat een bedrag van € 55.000 voldoende is als buffervermogen. Het hof geeft aan dat op belanghebbenden de last rust om aannemelijk te maken dat rekening dient te worden gehouden met een hoger buffervermogen.


Belanghebbenden voeren hiertoe aan dat bij overlijden van de echtgenoot op grond van de pensioenovereenkomst een welvaartsvast nabestaandenpensioen dient te worden uitgekeerd, waarvoor een buffer van € 313.066 moet worden aangehouden.

Voor de overname van de pensioenpremie bij arbeidsongeschiktheid is een buffer nodig van circa € 175.000. Voorts zijn de volgende buffers nodig:

  • € 200.000 voor een kapitaalinjectie in een maatschap waarin de bv participeert
  • € 172.822 voor twee jaar loondoorbetaling in geval van arbeidsongeschiktheid van de echtgenoot
  • € 55.000 voor het vervangen van de bedrijfsauto en het voldoen van de kortlopende schulden

De inspecteur brengt hier tegen in dat belanghebbenden zich baseren op de veronderstelling dat het slechtst denkbare scenario zich zal voordoen en dat zij geen rekening houden met de grootte van de kans van realisatie daarvan. 

Hof Arnhem-Leeuwarden is het met deze stelling van de inspecteur eens. Hierbij overweegt het hof dat de buffer uitsluitend betrekking kan hebben op risico’s die samenhangen met pensioenverplichtingen, aangezien de bv een pensioen-bv is. Verder overweegt het hof dat de tot het ondernemingsvermogen te rekenen activa en passiva op de balansdata een tekort laten zien van circa € 13.000. Mede gelet op dit geringe tekort en de noodzaak om enig werkkapitaal aan te houden, acht het hof met de inspecteur een buffer van € 55.000 dan ook voldoende voor het geval zich een slecht scenario zal voor doen. Dit leidt ertoe dat de bij belanghebbenden te belasten winst uit aanmerkelijk belang uiteindelijk dient te worden vastgesteld op € 157.538.

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships