Hoge Raad: Artikel 1:87 BW niet analoog van toepassing bij samenwoning zonder huwelijk

Partijen hebben gedurende een periode met elkaar samengewoond in een woning die eigendom van de man is. Er was geen samenlevingsovereenkomst. De kosten van de verbouwing van de woning zijn betaald door de vrouw of – uit hoofde van geldlening dan wel schenking aan de vrouw – door haar moeder.

 

De vrouw stelt dat zij de verbouwing van de woning uit haar privévermogen heeft gefinancierd en dat zij daarom recht heeft op een vergoeding van € 74.056,90.

 

De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van een gemeenschap in de zin van Boek 3 BW en dat voor de vrouw dus geen vergoedingsrecht op basis van Boek 3 BW is ontstaan.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de vermogensrechtelijke verhouding tussen partners, die op basis van een affectieve relatie samenwonen, niet wordt bepaald door de regels die gelden voor echtgenoten en geregistreerde partners en dat die regels zich niet lenen voor overeenkomstige toepassing op onderhavige situatie. Het beroep van de vrouw op art. 1:87 BW gaat dan ook niet op.

De vrouw heeft bovendien geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld die kunnen meebrengen dat zij desalniettemin op basis van redelijkheid en billijkheid een vergoedingsrecht op de man heeft. Haar vordering wordt afgewezen.

Jos Brauwers
Over Jos

Jos Brauwers (1961) is als bedrijfs- en fiscaal econoom al ruim 30 jaar actief op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering en fiscale structurering van de ondernemer. Hierin staat voor hem centraal welke (toekomst)doelen heeft een ondernemer en (hoe) kan de ondernemer deze [...]

Bekijk profiel