Hoge Raad: Voorziening met betrekking tot hoofdelijke aansprakelijkheid mag worden gevormd

Belanghebbende houdt alle aandelen in een dochtervennootschap. Aan de dochtervennootschap is door de bank een krediet verstrekt. In een aanvullende overeenkomst met de bank heeft belanghebbende voor dit krediet hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaard. Tussen belanghebbende en haar dochtervennootschap is geen (nadere) overeenkomst gesloten waarin de gevolgen van de aansprakelijkheid zijn geregeld. Voorts heeft belanghebbende geen zekerheden van de dochtervennootschap bedongen ter zake van de aansprakelijkheid. De dochtervennootschap gaat vervolgens failliet.

 

Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting een voorziening gevormd, onder meer voor het bedrag van de schuld van de dochtervennootschap aan de bank waarvoor belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk is. De inspecteur corrigeert het bedrag van de voorziening.

 

In cassatie stelt de Staatssecretaris van Financiën dat in deze situatie een onafhankelijke derde de risico’s van de aansprakelijkstelling nooit zou hebben aanvaard. Daarom vindt de aanvaarding van de aansprakelijkheid haar oorzaak in de vennootschappelijke betrekkingen tussen belanghebbende en de dochtervennootschap. 

De Hoge Raad verwijst naar het zogenoemde paraplukredietarrest (ECLI:NL:HR:2013:BW6520). Dit arrest bevat drie cumulatieve voorwaarden waardoor uitgaven van het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van een gelieerde vennootschap niet aftrekbaar zijn. De Hoge Raad wijst een beoogde ruimere toepassing van het paraplukredietarrest door de staatssecretaris af.

Jos Brauwers
Over Jos

Jos Brauwers (1961) is als bedrijfs- en fiscaal econoom al ruim 30 jaar actief op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering en fiscale structurering van de ondernemer. Hierin staat voor hem centraal welke (toekomst)doelen heeft een ondernemer en (hoe) kan de ondernemer deze [...]

Bekijk profiel