Hoge Raad: waarde loonstamrecht-aanspraak vormt loon nu aanspraak is prijsgegeven

Dit bericht betreft een samenvatting van een arrest van de Hoge Raad.

 

Op 8 februari 2019 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (nr. 17/04210) in een zaak waarbij het volgende speelde.

 

Belanghebbende X heeft in 1991 van zijn werkgever een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een stamrecht. Deze heeft hij ondergebracht in zijn BV. Het door X op 25 juli 1991 bedongen ontslagstamrecht bestaat uit een aan hem uit te keren periodieke uitkering van € 74.852 per jaar, dat ingaat op 65-jarige leeftijd en eindigt bij zijn overlijden. X heeft op 10 januari 2007 de 65-jarige leeftijd bereikt. De BV heeft in de periode 1994 – 2013 als loon aangeduide betalingen gedaan aan X. Deze betalingen zijn tot en met het jaar 2008 ten laste van de winst van de BV gebracht. De inspecteur heeft in verband met het in 2007 prijsgegeven stamrecht een navorderingsaanslag opgelegd.

 

De zaak heeft inmiddels gediend voor een rechtbank, twee gerechtshoven en twee maal voor de Hoge Raad. Eindelijk lijkt de fiscale discussie na een vrij lang slepende procedure te zijn beslecht. Op 30 oktober 2018 heeft A-G Niessen in deze zaak (17/04210), in een tweede cassatieronde, conclusie genomen. In zijn conclusie oordeelde de A-G dat het Gerechtshof Amsterdam (verwijzingshof) in zijn uitspraak van 27 juli 2017 (nr. 17/00129) terecht heeft geoordeeld dat de stamrechtaanspraak van X voor verwezenlijking vatbaar is. De waarde van de stamrechtaanspraak moet volgens de A-G op grond van artikel 13, lid 2 Wet LB 1964 juncto artikel 18 Uitvoeringsregeling LB 2001 worden gesteld op het bedrag dat bij een derde gestort moet worden teneinde de aanspraak te dekken. Aangezien de BV niet insolvent was maar zelfs nog activa bezat, waaronder een aanzienlijke effectenportefeuille, oordeelde de A-G dat het in 2007 geenszins onmogelijk zou zijn geweest de verplichtingen uit de stamrechtovereenkomst na te komen. In 2007 kon evenmin als vaststaand worden aangenomen dat de BV in de jaren na 2007 niet meer aan haar stamrechtverplichtingen kon voldoen. Beide door X in cassatie voorgestelde middelen falen volgens de A-G. De A-G concludeerde dan ook tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

 

In navolging van die conclusie heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Gelet op artikel 81, lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, behoeft het arrest geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

 

Het arrest is op 8 februari 2019 gepubliceerd.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel