In loonstamrecht gestorte ontslagvergoeding kwalificeert niet als pensioen

Dit bericht betreft een samenvatting van een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Op 9 november 2018 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak (AWB 16/8490) waarbij in geschil was of door de uitkerende verzekeraar terecht loonheffing is ingehouden op de uitkeringen uit een loonstamrecht. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de aan de uitkeringen van de verzekeraar ten grondslag liggende ontslagvergoeding kwalificeert als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid als bedoeld in artikel 10 van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland (het verdrag) of als pensioen als bedoeld in artikel 12 van het verdrag. Met andere woorden, het is de vraag of het heffingsrecht over de uitkeringen is toegewezen aan Nederland of niet. In de zaak speelde het volgende.

 

Belanghebbende heeft na zijn ontslag in 2002 afwisselend bij diverse Nederlandse werkgevers in  Nederland gewerkt dan wel WW-uitkeringen gehad. Hij is in 2013 vervroegd met pensioen gegaan en woont vanaf 2009 in Duitsland. In 2002 is de arbeidsovereenkomst tussen de ex-werkgever en belanghebbende beëindigd. Als vergoeding bij einde dienstverband is belanghebbende een bruto bedrag van € 75.000 toegekend. De ontslagvergoeding is door de ex-werkgever gestort in een loonstamrecht als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB 1964. Het stamrecht is ingegaan op 14 september 2002 bij in leven zijn. Het betreft een zogeheten gericht stamrecht. De ingangsdatum van de termijnen is bepaald op 14 januari 2014 bij in leven zijn van belanghebbende en op de dag van overlijden bij overlijden van belanghebbende vóór die datum. Op 13 januari 2015 is met het opgebouwde stamrechtkapitaal een polis voor een periodieke uitkering afgesloten bij een verzekeraar. De begindatum is 14 december 2014 en de einddatum is 14 december 2015.

 

De rechtbank heeft het volgende overwogen. Om de ontslagvergoeding als pensioen in de zin van artikel 12 van genoemd verdrag te kunnen aanmerken moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld of de ex-werkgever en belanghebbende hebben bedoeld een vergoeding overeen te komen als aanvulling op het pensioen. Daarbij moet worden uitgegaan van de maatstaven in het jaar 2002, het jaar waarin de ontslagvergoeding is overeengekomen. De enkele omstandigheid dat belanghebbende de vergoeding van meet af aan heeft willen besteden als aanvulling op zijn pensioenrechten, zoals hij stelt, wil volgens de rechtbank niet zeggen dat de aard en strekking van de vergoeding ten tijde van de toekenning daarop ook gericht was. Op basis van de overgelegde gegevens en de overige omstandigheden van het geval, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de ontslagvergoeding niet als pensioen kan worden aangemerkt. Volgens de rechtbank moet er worden aangenomen dat de ontslagvergoeding in algemene zin verband houdt met de uitoefening van de dienstbetrekking en dus moet worden aangemerkt als inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 10 van het betreffende verdrag.

 

Het beroep is ongegrond verklaard. De uitspraak is op 22 februari 2019 gepubliceerd.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel