Ingezonden brief: Uitwerking PensioenAkkoord nu al complex

image_pdf

De inkt van het PensioenAkkoord is nauwelijks opgedroogd en de eerste complicaties bij de implementatie dienen zich al aan. Nu er voor is gekozen om de AOW pas in 2020 te verhogen, maar het werkgeverspensioen al per 2013 (en naar 67 jaar per 2015) ontstaat de volgende situatie. Een werknemer die in 2019 65 jaar wordt, krijgt regulier zijn AOW. Echter voor wat betreft het aanvullende werkgeverspensioen ontstaat de volgende 3-trapssituatie. Hij heeft tot 2013 een pensioen opgebouwd vanaf 65 jaar. Daarna heeft hij 2 jaar pensioen opgebouwd, vanaf 66 jaar, en vanaf 2015 heeft hij nog 4 jaar pensioen opgebouwd vanaf 67 jaar. Het zal voor werkgevers zeer lastig zijn – zeker gezien de opstelling van de vakbonden tot nu toe – om direct in 2013 over te stappen op een pensioenleeftijd van 67 jaar, in combinatie met een betere regeling c.q. een hogere werkgevers-bijdrage. Uiteraard kan alles actuarieel neutraal worden omgerekend naar de door de werknemer gewenste pensioenleeftijd, maar het blijft complex en dus onoverzichtelijk.
Er moet nog besloten worden of de opgebouwde rechten, die voorzien in een pensioen vanaf 65 jaar, worden ‘ingevaren’. Hoezeer dit vanuit juridisch oogpunt niet mogelijk lijkt, zou dit vanuit eenvoud aan te bevelen zijn. Het grote nadeel waardoor ‘invaren’ door werknemers niet geaccepteerd zal worden is niet zozeer de omzetting (inclusief normaliter actuariële oprenting) naar 66 of 67 jaar, maar zit in het nieuwe Financiële ToetsingsKader. Door de keus om pensioenrechten die vanaf 2013 worden opgebouwd onderdeel te maken van dit nieuwe FTK, wordt daarmee bereikt dat deze rechten onderdeel gaan vormen van het zogenaamde leeftijds- en rendementsaanpassingsmechanisme. Dat betekent dat de rechten voorwaardelijk en boterzacht zijn. Als we ouder worden – en dat worden we- en als de rendementen tegen gaan vallen – en dat gaan ze – dat worden de rechten automatisch omgezet in lagere rechten met een hogere pensioenleeftijd. Het recht dat een werknemer op 66 jaar van € 1000 dacht te hebben blijkt een recht van € 900 op 68 jaar te zijn. Dát is de keus die is gemaakt in het PensioenAkkoord. Opgebouwde rechten die niet worden ingevaren zullen ook worden aangepast bij een tegenvallend rendement – dat is altijd zo geweest bij met name bedrijfstakpensioenfondsen – maar dan blijft wel de beoogde pensioenleeftijd staan.
Ook het verbond van Verzekeraars heeft al (eerder) gepleit voor een eenmalige sprong naar 67 jaar, zeker voor wat betreft het werkgeverspensioen.
Al met al is het dus sec inhoudelijk al geen goed PensioenAkkoord maar zal het bij de implementatie in de praktijk nog heel veel problemen opleveren. En daar is niemand mee gebaat. Tot slot is het nog goed om te vermelden dat hoezeer de AOW niet eerder dan op 65 jaar kan ingaan (en dan gekort met 6,5% per jaar), het werkgeverspensioen nog altijd op ieder moment, al dan niet in deeltijd kan ingaan (uiteraard ook actuarieel gekort en mits de vervroeging is opgenomen in de pensioenovereenkomst). Ook (ruim) voor 65 jaar.

mr Theo Gommer MPLA, Akkermans & Partners/Gommer & Partners, voorzitter NOPD.

Theo Gommer
Over Theo

Mr. J. Theo Gommer MPLA CCFP (1966) is managing partner bij de &Gommer Pensions Group, bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en bij de Visitatie Commissie Pensioenfondsen. Hij was tot 2018 voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen. Verder is hij actief als [...]

Bekijk profiel