Is er licht aan het einde van de tunnel voor de Ondernemingsraad?

image_pdf

Al vele jaren bestaat er onduidelijkheid of een Ondernemingsraad nu wel of niet een instemmingsrecht heeft als het gaat om de wijziging, inhoud en beëindiging van een uitvoeringsovereenkomst. Een overeenkomst tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder.

Duidelijkheid

Net voor kerst hoopte de Ondernemingsraad van Aon daar van de rechter in Rotterdam meer duidelijkheid over te krijgen. Die duidelijkheid kwam er en de kantonrechter betrok in zijn uitspraak zélf het wetsvoorstel op dit punt.

Wat waren de feiten in deze kwestie? Aon Groep Nederland B.V. heeft voor haar werknemers diverse pensioenregelingen getroffen. Een deel van de regelingen werd uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds Aon Groep Nederland  op grond van een tussen Aon en het Pensioenfonds Aon gesloten uitvoeringsovereenkomst. Bij die uitvoeringsovereenkomst zaten toegevoegde bepalingen met herstelplannen voor de destijds bestaande reserve- en dekkingstekorten, waardoor Aon jaarlijks een extra bijdrage aan het Pensioenfonds Aon betaalde om de tekorten te dekken.

Aon wilde hier van af en verzocht ex artikel 27 lid 1 WOR, de OR in te stemmen met het voorgenomen besluit tot wijziging per 1 januari 2014 van de bestaande pensioenregelingen in één beschikbare premieregeling.

Harmonisatie pensioenregelingen

Aan dit verzoek heeft Aon onder meer ten grondslag gelegd de wens van harmonisatie van de pensioenregelingen van de verschillende groepen.

Voortvarend had Aon het Pensioenfonds Aon bericht de uitvoeringsovereenkomst op te zeggen. Per 1 januari 2014 zijn de pensioenregelingen van Aon gewijzigd.

In verband met de dus al eerder opgezegde uitvoeringsovereenkomst is Aon na 1 januari 2014 een andere uitvoeringsovereenkomst overeengekomen met Pensioenfonds Aon, met werking vanaf 1 januari 2014. In die uitvoeringsovereenkomst is niet voorzien in de betaling van een extra bijdrage aan het Pensioenfonds Aon om tekorten op te heffen.

Liquidatie

Op 17 april 2014 is de OR geïnformeerd over die uitvoeringsovereenkomst. Aon was echter nog voortvarender en liet op 8 mei 2014 aan de OR weten voornemens te zijn om de uitvoering van de pensioenregelingen onder te brengen in het in België gevestigde Aon European Pension Fund (hierna: AEPF), hetgeen een liquidatie van het Aon Pensioenfonds en een collectieve waardeoverdracht aan het AEPF met zich bracht, alsmede het verrichten van de uitvoering van de pensioenovereenkomst door het AEPF.

Bijstorten

De OR is verzocht om hiermee in te stemmen. Bij brief van 13 mei 2014 heeft de OR de nietigheid ingeroepen van ‘het laten vervallen van de bijstortingsverplichting’. Tussen partijen is vervolgens veelvuldig overleg gevoerd en gecorrespondeerd, waarbij de OR de te verlenen instemming met het voorgenomen besluit de uitvoering van de pensioenregelingen onder te brengen in het AEPF afhankelijk heeft gesteld van onder meer de aanwezigheid van een bijstortingsverplichting. Bij brief van 18 september 2015 heeft de OR medegedeeld geen instemming te verlenen met voornoemd voorgenomen besluit.

Aon verzoekt onder meer voor recht te verklaren dat de OR ten onrechte een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het besluit van Aon tot het aangaan van een gewijzigde uitvoeringsovereenkomst na 1 januari 2014, nu dit besluit niet instemmingsplichtig is in de zin van artikel 27 WOR en/of artikel 23 lid 4 Pensioenwet en/of voor recht te verklaren dat het opzeggen en aangaan van de uitvoeringsovereenkomst niet is aan te merken als het intrekken en/of vaststellen van de pensioenovereenkomst ex artikel 27 lid 7 aanhef en onderdeel WOR.

Uitspraak

De kantonrechter oordeelt als volgt. De Pensioenwet (PW) geeft regels over de inhoud en de uitvoering van een pensioenregeling die een werkgever voor zijn werknemers heeft getroffen. Uit artikel 1 PW, artikel 23 lid 1 PW en artikel 32 PW volgt dat de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst twee te onderscheiden overeenkomsten betreffen, waarbij verschillende partijen betrokken zijn.

Aan artikel 27 lid 1 WOR kan de OR geen recht op instemming ontlenen, nu de wetgever met het woord ‘pensioenverzekering’ tot uitdrukking heeft gebracht dat de OR instemmingsrecht heeft ten aanzien van een pensioenregeling die wordt uitgevoerd door een verzekeraar, maar niet ten aanzien van een pensioenregeling die wordt uitgevoerd door een pensioenfonds, zoals hier het geval is.

Redding

Ook artikel 27 lid 7 WOR biedt geen redding, omdat dat artikel spreekt van een ‘pensioenovereenkomst’ en niet van een ‘uitvoeringsovereenkomst’. Een uitvoeringsovereenkomst wordt aangegaan tussen de pensioenuitvoerder en de werkgever en onttrekt zich daarmee aan het toepassingsgebied van de WOR en de invloedssfeer van de OR.

De kantonrechter heeft eveneens het advies van de SER in deze als het wetsvoorstel geraadpleegd, maar concludeert dat het SER-advies noch het wetsvoorstel voorzien in het geven van instemmingsrecht aan de OR ten aanzien van de uitvoeringsovereenkomst. Aon krijgt dus van deze rechter de verzochte verklaring voor recht.

Instemmingsrecht

In het wetsvoorstel wordt gehandhaafd dat er een instemmingsrecht blijft voor regelingen met betrekking tot een pensioenovereenkomst. Daaronder valt dus niet per definitie een uitvoeringsovereenkomst. Dat kan in sommige gevallen wel zo zijn, maar soms ook niet. En wie stelt moet bewijzen.

Het is een werkgever overigens wel toegestaan om de rechten die een OR op grond van de WOR heeft te verruimen en uit te breiden. Als een werkgever dat doet, is hij gehouden aan de mogelijkheden die een OR dan heeft.

De werkgever haalt dan op die punten de WOR weer binnen. Een oplossing tussen werkgever en OR kan gevonden worden in het opstellen van een overeenkomst tussen beiden waarin wordt bepaald op welke punten de OR welke bevoegdheden heeft. Vanzelfsprekend kan niet ten nadele van de WOR worden afgeweken.