Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Jurisprudentie nabestaandenpensioen

Het nabestaandenpensioen op risicobasis blijft de gemoederen bezig houden. Alhoewel in het Pensioenakkoord afspraken zijn gemaakt om dit nabestaandenpensioen op risicobasis diensttijdonafhankelijk te maken, zijn we nog niet zover. Zeker bij een onverhoopt overlijden na uitdiensttreding kan dit soms schrijnende gevallen opleveren. Een uitspraak van het gerechtshof te Den Bosch geeft een weduwe in een specifiek geval echter enige verlichting.

Voor het Hof te Den Bosch speelde de volgende zaak. Meneer A is sinds 1983 in dienst bij een werkgever. Vanaf 1985 gaat hij deelnemen in de pensioenregeling die ondergebracht is bij een verzekeraar. Het betreft een eindloonregeling met een nabestaandenpensioen met opbouwkarakter. 

Zoals zoveel pensioenregelingen in die tijd, wordt ook deze regeling aangepast. Vanaf 1 januari 1999 is niet alleen sprake van een middelloonregeling maar wordt ook het nabestaandenpensioen verzekerd op risicobasis. De werkgever heeft zijn personeel hierover vooraf geïnformeerd. 

Per 1 juli 2010 eindigt het dienstverband van meneer A. 5 jaar later overlijdt de heer A. De werkgever geeft aan dat de weduwe geen recht op nabestaandenpensioen heeft, aangezien dit op risicobasis is verzekerd en dat er derhalve na uitdiensttreding geen premies meer zijn betaald en de dekking is komen te vervallen. 

De weduwe van meneer A stelt echter dat haar man nooit heeft ingestemd met de doorgevoerde wijzigingen in 1999 en dat derhalve de oude pensioenregeling nog steeds van toepassing zou zijn. De werkgever stelt dat de heer A. stilzwijgend heeft ingestemd met de wijzigingen dan wel dat de werkgever erop mocht vertrouwen dat de man met de wijzigingen instemde.

Het hof stelt vast dat de reglementswijziging twee belangrijke verslechteringen inhouden die aan de man niet inzichtelijk zijn gemaakt. Het Hof stelt vervolgens dat in dergelijke gevallen uit dient te worden gegaan van criterium van het zogeheten CZ-arrest. Op grond van dat criterium moet er sprake zijn van welbewuste instemming door de werknemer. Daar is volgens het Hof geen sprake van.

Het Hof stelt derhalve de weduwe in het gelijk. De werkgever heeft nagelaten een adequate nabestaandenvoorziening voor haar te treffen. De weduwe leidt daardoor schade. De werkgever dient de schade te vergoeden omdat sprake is van een onrechtmatige daad.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak is belangrijk en de zaak staat niet op zichzelf. Wijziging van nabestaandenpensioen op opbouwbasis in nabestaandenpensioen op risicobasis heeft in het verleden immers massaal plaatsgevonden. Aan deze zaak kleven een aantal aspecten.

In deze zaak kwam het Hof tot de conclusie dat de werknemer welbewust had moeten instemmen met de gewijzigde pensioenregeling. Dat is echter lang niet altijd het geval. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat wanneer vakbonden hebben ingestemd met een wijziging van de cao de werknemer zonder verdere instemming ook is gebonden aan de cao. Dit geldt echter niet voor in het verleden opgebouwde rechten. Die kunnen in beginsel niet worden aangetast. Voor de toekomstige opbouw kan sprake zijn van een PP op risicobasis, maar niet voor het reeds opgebouwde PP. Dit komt overigens onvoldoende naar voren. In het onderhavige geval viel meneer A niet onder de cao. Zou hij wel onder de cao vallen maar geen lid van de vakbond zijn, is hij in beginsel nog steeds niet gebonden aan de wijziging van de cao. Aangezien dit voor werkgevers veelal een ongewenste situatie oplevert wordt dit in de praktijk opgelost door het opnemen van een zogeheten 'dynamisch incorporatiebeding' in de arbeidsovereenkomst. Door het dynamisch incorporatiebeding werken wijzigingen in de cao automatisch door in de individuele arbeidsovereenkomst, ook in die van werknemers die geen lid zijn van een vakbond.

Een andere mogelijkheid die de werkgever ter beschikking staat, is om de pensioenovereenkomst eenzijdig, dus zonder instemming van de werknemer, te wijzigen. Die mogelijkheid is gebaseerd op artikel 19 PW. Een dergelijk wijzigingsbeding is echter alleen geldig als het schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen. Daarnaast heeft een beroep op artikel 19 PW alleen kans van slagen als sprake is van een zogeheten 'zwaarwichtig belang'. Hierbij kan gedacht worden aan zwaarwegende bedrijfseconomische of organisatorische omstandigheden.

Partnerpensioen bij beëindiging dienstverband 

Ook al bestaan er dus mogelijkheden voor werkgevers om te zorgen dat een werknemer automatisch heeft ingestemd bij een wijziging van de pensioenregeling, een echte oplossing is dat in het geval van nabestaandenpensioen op risicobasis natuurlijk niet. Weliswaar is de werkgever in dat geval niet aansprakelijk, maar de weduwe heeft nog steeds geen nabestaandenpensioen. Vandaar dat de wetgever hiervoor met mogelijke oplossingen is gekomen.

Is sprake van een partnerpensioen op risicobasis, dan wordt er geen waarde opgebouwd en om die reden bedraagt de premievrije aanspraak op partnerpensioen bij ontslag nihil.

Veel deelnemers realiseren zich dit niet. Ter bescherming van de partners is dan ook in artikel 55 PW lid 5 toegevoegd. Op grond van dit artikellid behoudt de gewezen deelnemer in bepaalde omstandigheden tijdelijk aanspraak op het partnerpensioen op risicobasis.

De deelnemer, die na beëindiging van de deelneming recht heeft op een WW-uitkering, behoudt gedurende de uitkeringstermijn van de WW een aanspraak op partnerpensioen. De hoogte van dit partnerpensioen wordt vastgesteld alsof hetzelfde pensioen op opbouwbasis zou zijn overeengekomen. Dat betekent dus dat de dekking tijdens de WW-periode is beperkt tot het (fictief) tijdsevenredig opgebouwd partnerpensioen. De financiering van dit partnerpensioen vindt veelal plaats doordat de pensioenuitvoerder een opslag op het tarief zet. Is er geen recht op WW of is de WW-periode verstreken, dan vervalt de risicodekking, en is er geen dekking meer voor het partnerpensioen. Dit is dus slechts een gedeeltelijke oplossing van het probleem.

Daarnaast biedt artikel 61 lid 10 van de Pensioenwet de mogelijkheid om wanneer sprake is van een partnerpensioen op risicobasis bij beëindiging van de deelneming automatisch over te gaan tot uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen. Opgelet: om op deze mogelijkheid een beroep te kunnen doen dient zij als zodanig expliciet in de pensioenovereenkomst te zijn opgenomen. Ook is het nog steeds slechts een gedeeltelijk oplossing, aangezien wederom slechts een (fictieve) tijdsevenredig aanspraak op partnerpensioen en niet een volledig partnerpensioen.

Voorbeeld:

Op te bouwen ouderdomspensioen: € 35.000. Opgebouwd ouderdomspensioen bij ontslag: € 10.000.

Partnerpensioen op risicobasis bij vooroverlijden tijdens dienstverband: € 24.500 (70% te bereiken OP). Fictief tijdsevenredig partnerpensioen na ontslag (na uitruil of tijdens WW): € 7.000. 

Indien het overlijden tijdens het dienstverband plaats zou vinden, bedraagt het partnerpensioen dus € 24.500. Bij overlijden na uitdiensttreding nog slechts € 7.000.

Pensioenakkoord

 In het Pensioenakkoord zijn afspraken gemaakt over het nabestaandenpensioen op risicobasis. Die zijn allemaal gericht op een echte oplossing voor het bovengenoemde probleem. Voorgesteld wordt het nabestaandenpensioen op risicobasis onafhankelijk te maken van de dienstbetrekking. De hoogte kan dan altijd hetzelfde zijn en wordt maximaal gesteld op 50% van het salaris. Een echt oplossing dus, al is het nog even afwachten tot deze maatregelen daadwerkelijk kunnen worden doorgevoerd. Streefdatum voor deze nieuwe wettelijke maatregelen is 1 januari 2022.  

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships