Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Kifid: ‘lage kosten’ beleggingspolis te hoog

Op 11 oktober 2016 heeft het Kifid uitspraak gedaan in een zaak waarbij sprake is van hoge verborgen kosten in een spaarkasovereenkomst. Hierover zijn al eerder uitspraken gedaan en ook het Europese Hof van Justitie heeft zich uitgelaten over de Nederlandse woekerpolisproblematiek.

In deze zaak concretiseert het Kifid wat zij onder “lage kosten” verstaat. Ook spreekt het Kifid zich uit over de verjaringstermijn van de klacht.

De casus
Op 1 maart 1995 sluit een klant een lijfrente tegen maandelijkse premie. Het is een spaarkasovereenkomst. Technisch gezien is dat niet hetzelfde als een verzekering, maar juridisch wordt dit wel als zodanig behandeld. We hanteren hier dan ook de term “lijfrentepolis”.

Deze lijfrentepolis heeft een looptijd van 20 jaar en de klant legt er maandelijks (omgerekend) € 58,27 op in. Er worden voorbeeldkapitalen op de einddatum genoemd bij rendementen van 10%, 11% en 12%. Deze rendementen zouden volgens de brochure van de verzekeraar realistisch zijn, omdat er sprake is van “lage kosten”. In de voorwaarden worden de volgende kosten genoemd:

  • 4% eenmalige kosten als percentage van de eerste stortingen.
  • 0,8% doorlopende kosten als percentage van het opgebouwde kapitaal. 

In 2012 wordt op basis van de compensatieregeling een vergoeding aan de klant toegekend van € 908,39 in verband met verborgen kosten. Niet veel later koopt de klant de polis af. De totale afkoopsom is circa € 11.700, terwijl iets meer dan € 12.000 aan premies is ingelegd. 

De eis van de klant
De klant eist een vergoeding op grond van dwaling: hij zou de overeenkomst nooit hebben afgesloten als hij had geweten hoe hoog de kosten waren. Hij realiseerde zich dit pas, toen hij het compensatiebedrag ontving. Pas toen heeft hij met behulp van een expert gekeken naar de kosten in de lijfrentepolis en zich gerealiseerd dat deze zeer hoog waren. Hij had dus ook niet eerder kunnen klagen.

Hij eist zijn totale inleg plus wettelijke rente tot het moment van afkoop, verminderd met wat al is uitgekeerd. Dat komt neer op € 7.094. 

De verdediging van de verzekeraar
De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat er geen verborgen kosten zijn, omdat er sprake was van een overlijdensrisicodekking. De premie daarvan had de verzekeraar al verlaagd tot maximaal 15,3% van de premie. De overige kosten waren inderdaad iets hoger dan redelijk uitgevallen, maar daarvoor had de consument al een vergoeding ontvangen.

Bovendien is de klant geïnformeerd over de kosten, dus kan er geen sprake zijn van dwaling. Ook heeft de klant al vanaf het begin geweten dat er sprake was van een verzekering met beleggingscomponent, waarvan de uitkomst onzeker was. Omdat de klant jaarlijks een overzicht van de waardeontwikkeling heeft gekregen, had hij al eerder kunnen klagen over de tegenvallende resultaten. Daarom is er sprake van verjaring. 

De uitspraak
Het Kifid oordeelt allereerst dat er geen sprake is van verjaring. De verjaringstermijn begint pas te lopen vanaf het moment dat de klant gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de verzekeraar tekort is geschoten. Dat was pas op het moment dat de compensatie werd berekend en uitgekeerd. De toen ingeschakelde deskundige heeft voorgerekend dat er sprake was van erg hoge kosten. De klant had dit niet per se al eerder kunnen vermoeden. 

Nu verjaring niet aan de orde is, wordt de klacht inhoudelijk in behandeling genomen. Het Kifid gaat in op het karakter van de overeenkomst en de communicatie daarover naar consumenten toe. Er wordt telkens gesproken over “Spaarcertificaat”, “u spaart voor later” en “een spaarperiode”.  Er wordt bovendien gewezen op hoge rendementen en fiscale voordelen en niet of nauwelijks gerept over risico’s. Hoewel het Kifid vindt dat de overeenkomst niet passend was bij de wensen van de klant, moet de klant echter wel eerder tijdens de overeenkomst hebben ingezien dat er sprake was van beleggen. Kennelijk heeft de klant alsnog het risico van deze beleggingen aanvaard, waardoor de dwaling bij het afsluiten eerder had kunnen worden ingeroepen. Dit deel van de klacht gaat dan ook niet op. 

Het Kifid stelt de klant wel voor een belangrijk deel in het gelijk met betrekking tot de kosten. Het Kifid berekent op grond van een kostenoverzicht uit 2008, dat de ingehouden kosten in totaal 24,2% bedroegen. Na de compensatie, zijn deze kosten gedaald tot 16,2%. Hoewel de hoogte van de kosten in de algemene voorwaarden wel wordt genoemd, zijn deze kosten volgens het Kifid niet in overeenstemming met de tekst in de brochure. Daarin wordt immers uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gesproken over ‘lage kosten’. Volgens het Kifid zijn 16,2% aan kosten niet ‘laag’ te noemen.

Daarom moet de verzekeraar de klant alsnog (in redelijkheid) een schadevergoeding betalen van € 1.000. 

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships