Kinderalimentatie en niet-wijzigingsbeding

Rechtbank Oost-Brabant stelt prejudiciële vragen over een niet-wijzigingsbeding bij afspraken over kinderalimentatie

In het kader van de alimentatie-onderhandelingen kan er een veelheid aan afspraken tot stand komen. Het komt geregeld voor dat een partij daar later spijt van krijgt en daarop terug wil komen. Probleem kan dan zijn dat er een niet-wijzigingsbeding is overeengekomen waarop de andere partner zich dan beroep. De vraag is echter wat de geldigheid daarvan is.

 

Nu er in de literatuur en rechtspraak verschillend hierover wordt gedacht, stelt Rechtbank Oost-Brabant hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad:

1. Is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie gelet op de aard van de onderhoudsverplichting nietig?

2. Indien het antwoord op de vraag onder 1 ontkennend wordt beantwoord: is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie wel nietig wanneer ten nadele van de onderhoudsgerechtigde wordt afgeweken van de wettelijke en in de rechtspraktijk ontwikkelde maatstaven van behoefte en draagkracht?

3. Dient in geval het beding geldig is en de toets van artikel 1:159 lid 3 BW moet worden aangelegd deze toets net zo stringent te worden toegepast als bij partneralimentatie dan wel minder stringent.

 

Het genoemde BW-artikel bepaalt dat een niet-wijzigingsbeding op zich kan, maar dat desalniettemin de rechter de overeenkomst kan wijzigen op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker van de wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

Uiteraard wordt u op de hoogte gehouden van de beantwoording van deze vragen door de Hoge Raad.