KLM heeft niet de vrijheid om zich buiten de vakbond om te wenden tot de OR, om instemming te verkrijgen voor het vaststellen van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst.

Wat was er aan de hand? KLM heeft één OR ingesteld en pleegt met de Vereniging van Nederlandse verkeersvliegers (VNV) de CAO voor vliegers op vleugelvliegtuigen af te sluiten. De uitvoering van de pensioenovereenkomst tussen KLM en haar vliegers is door KLM ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds Vliegend personeel KLM (hierna het pensioenfonds).

KLM en VNV zijn in het zogenaamde STROT-akkoord van 2001 overeengekomen, dat de pensioenen worden geïndexeerd overeenkomstig het loonindexcijfer en hebben zij afspraken gemaakt over de financiering van deze indexatie. Later zijn zij het Protocol uitwerking pensioenafspraken 2005-2007 overeengekomen. Als gevolg van de regels van het nieuwe Financiële Toetsingskader (nFTK) per 1 januari 2015 kan het pensioenfonds het pensioen van de deelnemers pas volledig indexeren bij een dekkingsgraad van circa 122%. Naar aanleiding van het nFTK is het Protocol pensioen afspraken in verband met nFTK voor KLM vliegers op 15 juni 2015 afgesloten.

In het najaar van 2015 heeft er een volledige indexatie overeenkomstig de loonindex plaatsgevonden, zonder dat KLM daarvoor een storting in het pensioenfonds heeft hoeven doen. KLM heeft op 22 september 2015 aan VNV aangegeven, dat zij de extra stortingsplicht, die volgens het nFTK kan ontstaan als gevolg van de ambitie om volledig te indexeren, nooit voor ogen heeft gehad. Vanaf dat moment is dit onderwerp van discussie tussen KLM en VNV.

Een volledige indexatie van de pensioenen over 2016 is echter niet mogelijk zonder een storting van KLM in het pensioenfonds. KLM heeft op 29 juli 2016 aan VNV en het pensioenfonds bericht, dat zij het Protocol 2007 en de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds opzegt.

VNV heeft in kort geding de opzegging aangevochten, maar is door de voorzieningenrechter in het ongelijk gesteld. Het hoger beroep tegen dit vonnis loopt nog.

Op 26 september 2016 heeft KLM de OR verzocht in het kader van artikel 27 lid 1 sub a WOR, vóór 1 november 2016 in te stemmen met het voorgenomen besluit van KLM om de pensioenregeling van de KLM-vliegers per 1 december 2016 onder te brengen bij een nieuw opgericht (of op te richten) ondernemingspensioenfonds, waarbij de premie op andere wijze zal worden berekend. De OR heeft aangegeven niet in te stemmen met het voorgenomen besluit.

KLM verzoekt in de hoofdzaak op grond van artikel 27 lid 4 WOR om toestemming (en in het incident om een voorlopige toestemming) voor het vaststellen van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst per 1 december 2016, voor zover de volgende onderwerpen wijzigen (i) de wijze waarop de premie is vastgesteld en (ii) de keuze voor onderbrenging bij het nieuwe ondernemingspensioenfonds. Aan de vervangende toestemming van de rechtbank heeft KLM wel een aantal beperkingen gekoppeld.

KLM heeft ter toelichting aangevoerd dat zij gelet op een dreigende bijstortingsverplichting van op termijn mogelijk € 600 miljoen voor de volledige indexatie van de pensioenen gedwongen was de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds op te zeggen, nu het pensioenfonds niet wenste in te stemmen met een gewijzigde uitvoeringsovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat sinds 1 oktober 2016 artikel 27 lid 1 sub a WOR voorschrijft dat de werkgever bij een voorgenomen besluit terzake de regelingen op grond van een pensioenovereenkomst instemming van de OR dient te verkrijgen. Op de punten (i) en (ii) waarvoor KLM vervangende toestemming verzoekt, heeft de OR in beginsel instemmingsrecht, tenzij de betrokken aangelegenheid reeds inhoudelijk is geregeld in een cao (artikel 27 lid 3 WOR). Zowel VNV als de OR stellen dat de keuze voor een bepaalde pensioenuitvoerder inhoudelijk geregeld is in de cao. Zij verwijzen daarvoor naar artikel 1.14 van de cao waarin het pensioenfonds gedefinieerd is als ‘De Stichting Pensioenfonds Vliegend personeel KLM’. De rechter volgt dit standpunt en oordeelt dat uit artikel 1.1.4 van de cao blijkt dat partijen daarin zijn overeengekomen dat het huidige ondernemingspensioenfonds de pensioenuitvoerder is van de pensioenovereenkomsten tussen KLM en haar vliegers. De rechter verwijst ook naar artikel 10.9 van de cao, waarin wordt bepaald dat de vlieger deelneemt in ‘het Pensioenfonds’, hetgeen volgens de rechter niet voor een andere uitleg vatbaar is.

Het standpunt van KLM dat er slechts sprake zou zijn beschrijvende bepalingen zonder normerende werking, wordt niet gevolgd. De verschillende leden van artikel 10.9 van de cao kunnen volgens de rechter in onderlinge samenhang niet anders begrepen worden, dan dat geregeld is bij welk pensioenfonds de pensioenen van de vliegers zijn ondergebracht.

Conclusie
De instemming van de OR is dus niet vereist nu reeds inhoudelijk in de cao is geregeld wie de pensioenuitvoerder is. KLM heeft dan niet de vrijheid om, nu het overleg met VNV in een impasse verkeert, zich buiten de vakbond om te wenden tot de OR om instemming te verkrijgen voor het vaststellen van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst. Het verzoek van KLM wordt afgewezen. Rechtbank Amsterdam, 30 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7912

 

 

Maaike Theunis
Over Maaike

Maaike Theunis is in 2011 arbeids- en sociaalrechtelijk afgestudeerd aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens haar studie heeft ze extra verdiepende cursussen gevolgd in het kader van het tweejarig topklasprogramma van de Universiteit van Tilburg. Uiteraard heeft ze Pensioenrecht als [...]

Bekijk profiel