Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Kostenonttrekking uit een lijfrentebeleggingsrecht

Een consument die vermogen opbouwt via een lijfrentebeleggingsrecht (LBR), betaalt (direct en indirect) verschillende kosten voor deze financiële dienst. De belastingdienst heeft in februari 2020 een document gepubliceerd, waarin verduidelijkt wordt welke kosten ten laste mogen komen van het lijfrentebeleggingsrecht zelf.

Iemand die via een lijfrente in box 1 vermogen voor later wil opbouwen, kon tot 1 januari 2017 alleen terecht bij een ‘toegelaten aanbieder’, zoals banken of verzekeraars. Dit is geregeld in artikel 3.126 en 3.126a Wet IB2001.

Vanaf 1 januari 2017 zijn daar beleggingsondernemingen bijgekomen. Iemand die via een beleggingsonderneming een lijfrentebeleggingsrecht heeft lopen, heeft een geblokkeerde beleggingsrekening waarop de financiële instrumenten, zoals aandelen, worden aangehouden. Daarnaast wordt er meestal een geldsaldo aangehouden. Daar kunnen de kosten voor de beleggingsdienstverlening op in mindering worden gebracht, zonder dat dit leidt tot ‘afkoop’ van dat deel van de lijfrente.

De belastingdienst onderschrijft hierbij de definitie van ‘kosten voor beleggingsdienstverlening’ die de AFM al in 2012 opstelde.

Het gaat om de volgende kosten:

  • All-in tarief
  • Beheervergoeding
  • Adviesvergoeding
  • Abonnementskosten
  • Inlegkosten
  • Performance fee
  • Transactiekosten
  • Bewaarloon
  • Beheerhandelingen
  • Fondskosten door 'lopende kosten'
  • Fondskosten door transactiekosten in het fonds 
  • Op- en afslagen beleggingsfondsen

Men zou kunnen stellen dat de fiscus dus meebetaalt aan deze kosten. De klant kan immers de inleg aftrekken van de belasting. Vervolgens worden de kosten op dit bruto saldo in mindering gebracht.

Maar NIET de advieskosten van het financieel advies zelf!

Een belangrijke nuancering is hier op zijn plaats. De advieskosten die gemaakt worden voor het financiële advies of een nazorg- of serviceabonnement mogen niet in mindering gebracht worden op het saldo van de geldrekening van het LBR.

Dit kan verwarrend overkomen. In bovenstaande lijst van kosten die wèl in mindering gebracht mogen worden, staan immers ook ‘adviesvergoeding’ en ‘abonnementskosten’. Daarmee wordt echter iets anders bedoeld dan de zuivere advieskosten voor het advies of de nazorg zelf.

De adviesvergoeding die wel in mindering gebracht mag worden, wordt als volgt nader omschreven:

Jaarlijkse variabele of vaste kosten die in rekening worden gebracht voor het verlenen van beleggingsadvies aan de klant. Naast deze vergoeding kunnen nog één of meerdere van de hier genoemde kosten in rekening gebracht worden door de beleggingsonderneming of de depotbank. Wanneer de distributievergoeding van fondsen (deels) wordt teruggegeven aan de klant, wordt dit in mindering gebracht op de adviesvergoeding. 

De abonnementskosten die wel in mindering gebracht mogen worden, worden zo beschreven: 

Wanneer er jaarlijks een vast bedrag in rekening wordt gebracht voor het afnemen van de dienstverlening valt dit onder abonnementskosten. Bijvoorbeeld kosten voor het aanhouden van een beleggingsrekening.

Als u als adviseur Vermogen dus een algemeen financieel advies geeft over het opbouwen van vermogen, dan moet u die advieskosten rechtstreeks in rekening brengen bij de klant. Als uit uw advies volgt dat een LBR passend is, en de klant accepteert dit advies, dan mag de jaarlijkse adviesvergoeding voor het beleggingsadvies zelf wel in mindering komen op het opgebouwde geldsaldo in de LBR.

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships