Loonstamrechtvrijstelling niet van toepassing op schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag

Dit bericht betreft een samenvatting van een arrest van de Hoge Raad.

Op 8 maart 2019 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (nr. 17/005027) in een zaak waarin de A-G van de Hoge Raad op 29 november 2018 reeds een conclusie heeft genomen. In deze zaak was aan de orde of de tot 1 januari 2014 geldende loonstamrechtvrijstelling zoals destijds was opgenomen in artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB 1964 (tekst 2013) van toepassing is op een in 2014 toegekende schadevergoeding wegens kennelijk inredelijk ontslag.

 

In zijn uitspraak van 14 september 2017 (BK 16/03482) oordeelde het Gerechtshof Den Bosch dat uit de betreffende wettekst volgt dat de loonstamrechtvrijstelling alleen in geval de schadevergoeding is genoten voor het vervallen van de stamrechtvrijstelling op 1 januari 2014, zelfstandig op de schadevergoeding van toepassing kan zijn. Het hof heeft geoordeeld dat de schadevergoeding niet rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is als de rente pas tegelijk met de vordering komt vast te staan en ook pas dan vorderbaar en inbaar wordt. Naar het oordeel van het hof is ook overigens geen genietingsmoment in 2013 aan te wijzen. Dit betekent volgens het hof dat bedoelde loonstamrechtvrijstelling slechts van toepassing kan zijn op grond van de overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964. Het hof heeft overwogen dat de belanghebbende in kwestie op 31 december 2013 nog geen aanspraak had op het bedrag van de schadevergoeding zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 39f, lid 1, Wet LB 1964 dat sprake moet zijn van een op 31 december 2013 bestaande en bepaalbare aanspraak. Het hof oordeelde vervolgens dat die overgangsregeling niet in strijd is met artikel 14 EVRM. Het hof heeft belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen.

 

In navolging van de conclusie van A-G Niessen is de Hoge Raad van mening dat terecht is geoordeeld dat de schadevergoeding niet rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is geworden op het moment dat de wettelijke rente verschuldigd is. De overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964 is niet van toepassing op de door belanghebbende ontvangen schadevergoeding omdat de aanspraak op periodiek uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon op 31 december 2013 niet voldoende bepaald of bepaalbaar was. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard.

 

Het arrest is op 8 maart 2019 gepubliceerd.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel