Moet een aansluitende uitkering eigenlijk wel worden aangepast aan de veranderde AOW-leeftijd?

Een universiteit in de hoofdstad werd onlangs geconfronteerd met de vraag of de uitkeringstermijn van een zogenoemde aansluitende uitkering van een van haar medewerkers aangepast zou moeten worden aan de inmiddels verhoogde wettelijke AOW-leeftijd.

 

Allereerst, wat is een aansluitende uitkering? In deze casus betreft het een uitkering conform de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten (hierna: BWNU), als het ware een aanvulling op de bekende WW-uitkering; in dit geval (slechts) tot het 65e levensjaar (de ‘oude’ AOW-leeftijd), terwijl de AOW-leeftijd in de tussentijd is opgehoogd.

 

Wat speelde er exact?

Op de arbeidsovereenkomst van de inmiddels ex-werkneemster van de universiteit was de toen geldende CAO Nederlandse Universiteiten (hierna CAO NU), en in het verlengde daarvan ook de reeds genoemde BWNU van toepassing.

 

De ex-werkneemster stelt zich nadrukkelijk op het standpunt dat het eindigen van de BWNU-uitkering op de leeftijd van 65 jaar, krachtens artikel 9 lid 3 BWNU, ongeoorloofd leeftijdsonderscheid met zich meebrengt en bovendien in strijd is met de wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (hierna: WGBL).

 

De universiteit moet dan ook de BWNU laten voortduren tot de AOW-gerechtigde leeftijd, die dus hoger (in casu maar liefst 27 maanden) ligt dan voornoemde 65 jarige leeftijd conform de BWNU, zo meent de werkneemster.

 

En ja, de universiteit kan zich hier natuurlijk niet mee vereenzelvigen en stelt dat het inmiddels gehekelde artikel in de BWNU gewoon dient te gelden. De BWNU heeft als doel een afgewogen stelsel van aanvullende financiële voorzieningen te bieden bij werkloosheid. ‘’Het is als het ware een permanent sociaal plan.’’ Binnen het beschikbare budget maken de CAO-partners noodzakelijkerwijs keuzes en daarbij komt hen een ruime mate van beleidsvrijheid toe, zo meent de universiteit.

 

De kosten van de universiteit ten aanzien van de pensioenaanspraken – en ook werkloosheidskosten – van de ex-werkneemster zijn al aanzienlijk. Wanneer zij ook nog eens die 27 maanden (dus de periode tussen haar 65e levensjaar en de AOW-gerechtigde leeftijd) aanspraak maakt op de BWNU, zijn de kosten dusdanig buitensporig dat het zelfs een veelvoud van de zogenaamde kantonrechterformule betreft. Onacceptabel aldus de universiteit.

 

De rechter aan zet

De universiteit en haar werkneemster komen er onderling niet uit en de gang naar de kantonrechter[1] wordt gemaakt. Deze maakt gewag van het feit dat, ten tijde van het toekennen van de BWNU-uitkering (omstreeks 2008), deze bepaling reeds viel onder het ‘verbod van onderscheid’ conform artikel 3 van de sinds 1 mei 2004 geldende WGBL, maar werd het (gezien artikel 7 van die wet) objectief gerechtvaardigd geacht om een regeling als de BWNU te linken aan de AOW-gerechtigde leeftijd.

 

Ondanks het feit dat de kaarten nu anders worden verdeeld, was het destijds een rechtsgeldige regeling. Zo’n regeling kan niet, met terugwerkende kracht, alsnog nietig worden verklaard, zo onderbouwt de kantonrechter.

 

Conclusie

De slotsom luidt dat de huidige bovenwettelijke uitkering van de werkneemster niet door de universiteit verlengd hoeft te worden tot haar AOW-leeftijd. De in 2008 onvoorziene wijziging van de AOW-leeftijd en het ontstaan van het AOW-gat, kan niet voor rekening en risico van de universiteit komen.

 

Het beroep van de ex-werkneemster op ongeoorloofd leeftijdsonderscheid en strijdigheid met gelijke behandeling slaagt niet. De universiteit trekt aan het langste eind.

 


[1]Rechtbank Amsterdam, 1 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2395

Matthijs Reek
Over Matthijs

Vanaf medio 2008 is Matthijs als jurist werkzaam geweest bij verschillende advocatenkantoren en (semi-)overheidsorganisaties. In het kader daarvan heeft hij zich onder meer nader gespecialiseerd in juridische vraagstukken op het grensvlak van het arbeids-, contracten- en bestuursrecht. [...]

Bekijk profiel