Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij overdracht lijfrenteverplichting aan niet toegelaten aanbieder

Op 28 december 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarbij in geschil was of door de inspecteur terecht negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aanmerking zijn genomen, alsmede of terecht revisierente is berekend (BK 15/00008). De uitspraak is op 11 januari 2017 gepubliceerd.

In de zaak speelde het volgende. Belastingplichtige A heeft ter zake van de staking van zijn vennootschap onder firma en de inbreng van zijn aandeel in BV X in 1998 een lijfrente bedongen bij BV X. De aandelen van BV X zijn tot 1 maart 2010 gehouden door BV Y.  De aandelen in BV Y zijn voor 50 percent in handen BV Z, de persoonlijke houdstervennootschap van belanghebbende, en voor 50 percent in het bezit van BV XX, de persoonlijke houdstervennootschap van B .

BV Y heeft de aandelen in BV X per 1 maart 2010 verkocht aan BV YY en BV ZZ. Bij de verkoop is overeengekomen dat de lijfrenteverplichting van BV X jegens belanghebbende A en B wordt overgedragen en betaald aan BV Y. Uit overgelegde stukken blijkt evenwel dat de lijfrenteverplichting is overgedragen aan BV Z, de persoonlijke houdstervennootschap van belastingplichtige A. Medio 2010 heeft belastingplichtige A een lijfrente-uitkering van € 3.426 ontvangen. Daarop is loonheffing ingehouden.

Met de overdracht van de lijfrenteverplichting aan de persoonlijke houdstermaatschappijen is de lijfrenteverplichting overgedragen aan een niet toegelaten aanbieder in de zin van artikel 3.126 Wet IB 2001, is artikel 3.133, lid 1, juncto lid 2, onderdeel i Wet IB 2001 van toepassing (fiscale afkoop). In verband daarmee zijn volgens het hof terecht negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (ter hoogte van de waarde van het lijfrenterecht) in aanmerking genomen bij belastingplichtige A en is terecht revisierente berekend.

Met het in de heffing betrekken van de waarde van het lijfrenterecht wordt de in het verleden genoten lijfrenteaftrek (ten laste van stakingswinst gebracht) geheel teruggenomen. Naar het oordeel van het hof is het in dat kader in overeenstemming met doel en strekking van artikel 3.107a Wet IB 2001 (beperkte saldomethode) – en zo niet: brengt een redelijke wetstoepassing met zich mee – dat deze bepaling in casu toepassing vindt en dat van de in 2010 ontvangen lijfrente-uitkering ten bedrage van € 3.426 een bedrag van € 2.269 (aan niet-afgetrokken premies) buiten aanmerking blijft. Voor een verdergaande vermindering ziet het hof geen grond.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel