Ondanks geslaagde operatie geen vergoeding voor gemaakte zorgkosten

Rechtbank Den Haag is aangewezen voor de behandeling van letselzaken. Als gespecialiseerde rechtbank heeft de rechtbank op 13 mei 2020 een baanbrekend tussenvonnis gewezen over de uitgangspunten voor kapitalisatie van een schadevergoeding en voor de bepaling van het verlies aan verdienvermogen. 

Een fietser wordt aangereden door een tram en loopt ernstig letsel op. Hij heeft te maken met blijvende klachten en beperkingen en er is een aanzienlijk percentage (31% tot 42%) blijvende invaliditeit. De fietser zit vol in de ontwikkeling van een veelbelovende carrière en heeft recent een gerenommeerde MBA-opleiding afgerond. Op het moment van de aanrijding was het einde van zijn huidige dienstbetrekking in zicht.

De verzekeraar heeft aansprakelijkheid erkend. Partijen verschillen van mening over de mate van eigen schuld en de omvang van de schade. In mediation wordt de eigen schuld vastgesteld op 30% en geen overeenstemming bereikt over de schade-omvang. Het slachtoffer neemt een nieuwe advocaat die de verzekeraar meedeelt dat alle voorstellen zijn vervallen en dat zij binnenkort op de schade-afwikkeling terugkomt.

De verzekeraar dagvaardt het slachtoffer en vraagt een verklaring voor recht dat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan door de voorschotbedragen te betalen. Daar komt nog een aanvullende betaling wegens extra smartengeld, na de dagvaarding bij.

Overwegingen en oordeel Rechtbank Den Haag

Verdienvermogen

De rechtbank overweegt dat schade het resultaat is van de vergelijking tussen de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Omdat blijvende letselschade is opgelopen, mogen geen strenge eisen worden gesteld ten aanzien van het te leveren bewijs van schade wegens verlies van inkomen uit arbeid in de toekomst. De veroorzaker heeft het slachtoffer de mogelijkheid van het leveren van bewijs ontnomen. De rechtbank komt tot een veel groter verlies van arbeidsvermogen dan dat de verzekeraar wilde accepteren.

Uitgangspunten voor de kapitalisatie van toekomstige schade

De verzekeraar wenst uit te gaan van een rekenrente van 3% op basis van een te behalen rendement van 6% en 3% inflatie. In verband met de huidige lage rentestand wil de verzekeraar voor de eerste drie jaar uitgaan van 1%. Nadat de rechtbank bij comparitie had laten weten de percentages hoog te vinden, komt de verzekeraar met een aanbod van 0% voor de eerste vijf jaar en daarna 2%. Dit percentage zou op basis van indexbeleggen daadwerkelijk zijn te realiseren.

Het slachtoffer meent dat op basis van het huidige renteklimaat moet worden uitgegaan van realistische verwachtingen. Op basis daarvan is het reëel om te rekenen met 0% (1% rendement minus 1% inflatie) in de eerste 10 jaar, daarna gedurende 10 jaar 1% (2,5% rendement minus 1,5% inflatie) en daarna met 1,3% (3,3% rendement minus 2% inflatie). 

Rechtbank Den Haag maakt als volgt zelf een realistische inschatting:

Duur

Opbrengst %

Toelichting

Voorspeld Inflatie %

5 jaar

0,00

Geen spaarrente

1,50

15 jaar

1,30

Gemiddelde depositorente

2,00

Na 20 jaar

2,00

UFR (langjarig gemiddelde)

2,00

 

Een van de overwegingen van de rechtbank is dat het niet aan de veroorzaker is om te bepalen hoe het slachtoffer met het te ontvangen bedrag ineens omgaat.

Enkele andere interessante twistpunten

Het zeer uitgebreide vonnis gaat in op veel detailpunten die zeker de moeite waard zijn om te lezen. Wij beperken ons tot de meest interessante vaststellingen:

  • De verzekeraar wordt verweten in strijd te handelen met de GBL. De verzekeraar weerlegt dit door te wijzen op het grote verschil in de aangeboden en te vorderen bedragen en het feit dat mediation niet gelukt is waardoor de verzekeraar vrij was te gaan procederen. Het feit dat door de actie van de verzekeraar voor het slachtoffer nu een andere vergoedingsregeling voor zijn kosten gaat gelden, is onvoldoende om te stellen dat de verzekeraar niet mocht dagvaarden.
  • De gevraagde veroordeling dat het slachtoffer misbruik van recht heeft gemaakt door weer een andere raadsvrouw te nemen wordt verworpen.
  • De verzekeraar wil geen concrete berekening maken van de wettelijke rente per schadepost en stelt dat na verrekening met de voorschotten mogelijk voor een deel van de posten nog wettelijke rente loopt en andere toekomstige schadeposten nog dienen te worden gekapitaliseerd, wat ex aequo et bono tegen elkaar kan worden weggestreept. De rechtbank geeft het slachtoffer gelijk. Alles moet precies worden berekend, waarbij de voorschotbetalingen in de eerste plaats in mindering worden gebracht op de kosten en vervolgens op de verschuldigde rente en ten slotte op de hoofdsom en lopende rente.
  • De rechtbank oordeelt ook nog dat de kosten van de raadsvrouw, door de dagvaarding door de verzekeraar ‘van kleur zijn verschoten’. Op enig moment zijn de kosten geen buitengerechtelijke kosten meer, maar komen zij te vallen onder de regels van het procesrecht.