Onroerende zaak is geen woning: 6% overdrachtsbelasting

Rechtbank Noord-Holland heeft op 3 maart 2020 (publicatie: 20 maart 2020) uitspraak gedaan of een onroerende zaak kwalificeert als woning waardoor sprake is van 2% overdrachtsbelasting.

Belanghebbende heeft een onroerende zaak gekocht. In geschil is of deze onroerende zaak kwalificeert als woning in de zin van artikel 14 lid 2 WBR waardoor sprake is van 2% overdrachtsbelasting.

 

Belanghebbenden heeft gesteld dat de opstal een dubbele bestemming had. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende gewezen op de volgende omstandigheden.

De onroerende zaak is gebouwd als chauffeurswoning en heeft de uiterlijke kenmerken van een woning zoals een stookgelegenheid met schoorsteen, een toilet, een inbouwkledingkast en een wastafel. De onroerende zaak is ook bewoond geweest. Voorts was de bestemming van de onroerende zaak volgens het bestemmingsplan ‘woning’. Dat de opstal in de leveringsakten en andere documenten niet is aangemerkt als woning, doet aan het voorgaande niets af. Immers, ten tijde van het opstellen van de leveringsakten en de documenten was het van ondergeschikt belang om de functie van de opstal nauwkeurig te beschrijven. 

 

Rechtbank Noord-Holland oordeelt echter dat niet aannemelijk is geworden dat een gedeelte van de opstal naar zijn aard bestemd was als woning. Dat de onroerende zaak tijdelijk is bewoond maakt het voorgaande niet anders. Ook de overige door belanghebbende aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Het tarief van 6% is derhalve van toepassing.