Oprenting Oudedagsverplichting (ODV) geactualiseerd

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft op 14 mei 2019 een nieuwe versie de systematiek voor de oprenting van de Oudedagsverplichting (ODV) in het kader van de Wet uitfasering PEB gepubliceerd (V&A 17-027). De vorige versie dateerde van 29 september 2017.

Als we beide versies met elkaar vergelijken, levert dat geen nieuwe inzichten op. Inhoudelijk is er niets veranderd, met dien verstande dat in de nieuwe versie expliciet verwezen wordt naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 november 2016 met antwoorden op tijdens het wetgevingsoverleg van 31 oktober 2016 gestelde vragen. In die brief wordt onder andere aandacht besteed aan het verschil tussen intern en extern eigen beheer en de oprenting van de ODV als sprake is van een gebroken boekjaar.

 

Het CAP geeft twee methoden om de ODV in de uitstelfase, als de ODV-termijnen nog niet zijn ingegaan, op te renten.

 

1. oprenting op de omzettingsverjaardag;

2. oprenting per balansdatum einde boekjaar.

 

Oprenting op de omzettingsverjaardag

In deze variant wordt vanaf het tijdstip dat de fiscale pensioenverplichting is omgezet in een ODV telkens na een jaar op de volgende omzettingsverjaardag rente bijgeschreven.

 

Het oprentingspercentage is in beginsel gelijk aan het rekenkundig gemiddelde u-rendement van het voorafgaande kalenderjaar. Voor 2016 was dit percentage vastgesteld op 0,059%, voor 2017 op 0,06% en voor 2018 op 0,269%. Deze percentages moet worden toegepast voor de oprenting van de ODV in respectievelijk 2017, 2018 en 2019.

 

Echter, wanneer de oprentingsperiode in twee kalenderjaren valt, zoals bij oprenting op de omzettingsverjaardag doorgaans het geval zal zijn, wordt het oprentingspercentage bepaald als het gewogen gemiddelde van de gemiddelde u-rendementen in de kalenderjaren t-1 en t-2. Met andere woorden, als de fiscale pensioenverplichting per 1 juli 2017 wordt omgezet in een ODV, bedraagt het oprentingspercentage voor de periode tot 1 juli 2018:

6/12 x gemiddelde u-rendement 2016 + 6/12 x gemiddelde u-rendement 2017, dus

1/2 x 0,059% + 1/2 x 0,06% = 0,0595%.

 

Voor de periode van 1 juli 2018 tot 1 juli 2019 geldt dan:

1/2 x 0,06% + 1/2 x 0,269% = 0,1645%.

 

Ook als sprake is van een gebroken boekjaar, waardoor het boekjaar in twee kalenderjaren valt, zal gerekend moeten worden met het gewogen gemiddelde van de gemiddelde u-rendementen in de kalenderjaren t-1 en t-2.

 

Aan de hand van enkele voorbeelden wordt de oprenting van de ODV voor de uitstelfase, het laatste jaar vóór ingang van de eerste ODV-termijn en voor de uitkeringsfase toegelicht.

 

De rente wordt altijd achteraf op de omzettingsverjaardag bijgeschreven.

 

In het kalenderjaar waarin de ODV-termijnen ingaan, moet het ODV-saldo vanaf de laatst vastgestelde omzettingsverjaardag eerst worden opgerent tot de ingangsdatum van de eerste ODV=termijn. Het oprentingspercentage is dan gelijk aan het gewogen gemiddelde van de gemiddelde u-rendementen in jaar t-2 en t-1 of een pro rata deel van het gemiddelde u-rendement in het jaar t-1, afhankelijk van of de ingangsdatum van de eerste ODV-termijn vóór of na de omzettingsverjaardag ligt.

 

 

Oprenting per balansdatum einde boekjaar

In deze variant wordt vanaf het tijdstip dat de fiscale pensioenverplichting wordt omgezet in een ODV telkens rente bijgeschreven op de balansdatum aan het einde van het boekjaar. Uitgaande van een balansdatum van 31-12, wordt dus eerst pro rata rente bijgeschreven en daarna telkens over het kalenderjaar, zodat per oprentingsperiode maar één oprentingspercentage nodig is, dat gelijk is aan het rekenkundig gemiddelde u-rendement van het voorafgaande kalenderjaar.

 

Bij een gebroken boekjaar is dit dus anders, omdat dan gerekend moet worden met het gewogen gemiddelde van de gemiddelde u-rendementen in de kalenderjaren t-1 en t-2.

 

De rente wordt altijd achteraf op de balansdatum bijgeschreven. 

 

In het boekjaar waarin de ODV-termijnen ingaan, moet het ODV-saldo aan het begin van het boekjaar eerst worden opgerent tot de ingangsdatum van de eerste termijn. Het oprentingspercentage is dan gelijk aan het rekenkundig gemiddeld u-rendement uit het voorafgaande kalender jaar.

 

 

Oprenting in de uitkeringsfase

In de uitkeringsfase moet het (resterende) ODV-saldo jaarlijks op de uitkeringsverjaardag te worden opgerent. Dat betekent dat bij ingang van de ODV eerst de hoogte van de eerste termijn moet worden vastgesteld en afgeboekt. Het daarna resterende ODV-saldo wordt opgerent tot de volgende uitkeringsverjaardag.  Ingeval de ODV-uitkeringsverjaardag niet op 1 januari ligt, zal voor de oprenting van het ODV-saldo op de uitkeringsverjaardag altijd sprake zijn van gewogen gemiddelde van twee rekenkundig gemiddelde u-rendementen uit jaar t-2 en t-1.

 

Als bijvoorbeeld de eerste ODV-uitkering op 1 mei 2025 ingaat, moet de ODV, afhankelijk van het gevolgde systeem in de uitstelfase, worden opgerent tot 1 mei 2025. Vervolgens moet de hoogte van de eerste uitkering worden vastgesteld en afgeboekt. Op 1 mei 2026 wordt dan rente bijgeschreven over het ODV-saldo per 1 mei 2025 (na aftrek van de jaartermijn). Het oprentingspercentage is het gewogen gemiddelde van het voor 2024 (10 maanden) en het voor 2025 (2 maanden) geldende rekenkundig gemiddelde u-rendement. De grondslag voor de oprenting is steeds de stand van de ODV per 1 mei na aftrek van de op dat moment vervallen termijnen.

 

 

Fiscale winstbepaling

Voor de fiscale winstbepaling geldt dat alleen de rente die drukt op het desbetreffende jaar in aanmerking genomen mag worden.

Wanneer de oprenting niet op (fiscale) balansdatum plaatsvindt, zodat de rente op de omzettingsverjaardag of uitkeringsverjaardag achteraf wordt bijgeschreven, kan het deel van de eerstvolgende oprenting dat betrekking heeft op de periode tot de (fiscale) balansdatum, bij het bepalen van de fiscale winst van het betreffende boekjaar in aanmerking worden genomen door op de fiscale eindbalans een transitorische passiefpost op te nemen.

 

 

 

Hans Swagten
Over Hans

Drs. Hans C.G. Swagten CPC is pensioeneconoom en Certified Pension Consultant (CPC). Hij heeft een ruime ervaring in pensioenadvisering en treedt regelmatig als docent op bij verschillende pensioenopleidingen. Daarnaast is hij voorzitter van de Examencommissie van de MPLA van Oysterwyck [...]

Bekijk profiel