Pensioen en echtscheiding, meer specifiek Boon / Van Loon, blijft de gemoederen bezighouden

Op 27 november 1981 wees de Hoge Raad het voor pensioen en echtscheiding zeer belangrijke Boon / Van Loon-arrest. Per 1 mei 1995 trad de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (Wet VPS) in werking. Hierin werd de verdelingssystematiek, zoals van toepassing sinds Boon / Van Loon gewijzigd. Inmiddels staat de eerste grote wijziging van de Wet VPS ook de planning, waarbij niet langer verevening, maar conversie het uitgangspunt gaat worden.

 

Ondanks dat Boon / Van Loon dus al geruime tijd niet meer de verdelingsmethode van pensioen bij scheiding is, wordt er nog regelmatig over deze verdelingsmethode geprocedeerd. Dit is een gevolg van het feit dat mensen die onder Boon / Van Loon gescheiden zijn, een voorwaardelijke verdelingsafspraak konden maken. Daarnaast is vaak genoeg bij die echtscheidingen juist helemaal geen verdelingsafspraak gemaakt. Als gevolg van het feit dat juist deze groep momenteel met pensioen is of gaat, maakt dat regelmatig de Boon / van Loon verdeling ter discussie staat.

 

Recentelijk[1] moest Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ook nog een oordeel vellen over een Boon / Van Loon-verdeling. Wat was er aan de hand?

 

Partijen zijn in 1981 in gemeenschap van goederen gehuwd in Duitsland. Op 4 maart 1994 heeft rechtbank ’s-Hertogenbosch de echtscheiding uitgesproken en op 19 mei 1994 is de echtscheiding ingeschreven. Derhalve vóór de inwerkingtreding van de Wet VPS en om die reden, nu partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, is Boon / Van Loon van toepassing. De man heeft op 12 januari 2016 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. In januari 2016 heeft de vrouw aanspraak gemaakt op een deel van het pensioen. De man weigert hiertoe over te gaan.

 

Kort geding; spoedeisendheid

De vrouw heeft een kort geding aanhangig gemaakt en vordert hierin de achterstallige termijnen ineens en de toekomstige termijnen maandelijks. De rechtbank heeft bij vonnis de vorderingen afgewezen, omdat geen sprake is van een geldvordering die voldoende aannemelijk is, of die dermate spoedeisend is, dat deze middels kort geding moet worden toegewezen. De vrouw gaat in hoger beroep.

 

Het Hof overweegt dat de verzochte voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Dat is in kort geding slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

 

Volgens de rechtbank had de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij het geld daadwerkelijk nodig heeft voor haar levensonderhoud, in die mate dat zij de uitkomst van een bodemprocedure niet kan afwachten. De vrouw heeft gesteld dat zij wel een spoedeisend belang heeft: pensioen is bedoeld om te voorzien in levensonderhoud en daarmee is spoedeisend karakter gegeven – inkomen op bijstandsniveau – hierdoor pensioen nodig voor levensonderhoud – in bodemprocedure loopt zij het risico dat man haar deel al verteerd heeft en geen verhaal biedt – het feit dat ze 2,5 jaar onderhandeld heeft, mag het spoedeisende belang niet wegnemen.

 

De man stelt pensioen niet onmiddellijk een spoedeisend karakter heeft, de onderhandelingen 2,5 jaar hebben geduurd, waarvan zelfs een periode van een jaar überhaupt geen overleg heeft plaatsgevonden – inkomensgegevens van de vrouw zijn niet compleet.

 

Het Gerechtshof is, gezien de door de vrouw aangehaalde argumenten van mening dat er wel degelijk op het moment van het oordeel door het Gerechtshof sprake is van een spoedeisend belang.

 

Vorderingen van de vrouw; recht op pensioen

Vervolgens gaat het Hof in op de vorderingen van de vrouw. In 1994 heeft de vrouw een verklaring getekend waarin staat dat er geen navorderingen vanuit haar zijde zullen plaatsvinden. De rechtbank heeft daarover geoordeeld dat de man het bestaan en de hoogte van de vordering voldoende heeft betwist. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij met de betreffende verklaring geenszins heeft beoogd om afstand te doen van pensioenrechten. De verklaring had betrekking op de inboedelgoederen. De vrouw is ook niet overbedeeld, hetgeen de man ook niet heeft aangetoond. De man blijft zich beroepen op de betreffende verklaring.

 

Het Gerechtshof volgt ook hierin de vrouw. Zij heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de tussen partijen opgestelde verklaring betrekking had op de over en weer opgebouwde pensioenrechten. Aannemelijk is gemaakt dat deze zag op de inboedelgoederen. Ook al zou sprake zijn van overbedeling, het niet aannemelijk dat de vrouw zonder enig cijfermatig inzicht afstand van pensioen zou hebben gedaan.

 

Hoogte van het pensioen

Dan laat het Gerechtshof zich nog uit over de hoogte van het pensioen. De vrouw is van mening dat zij recht heeft op een maandelijks bedrag van € 280,29, dit heeft zij ook onderbouwd door middel van door haar ingeschakelde deskundigen. De man is van mening dat het slechts om een bedrag van € 76,70 per maand gaat. Wederom treft de vrouw het Gerechtshof aan haar zijde. Het Gerechtshof is van mening dat de vrouw de hoogte van het maandbedrag voldoende aannemelijk heeft gemaakt, temeer nu de brief van het ABP waarop de man zich beroept, zonder enige indexatie ook reeds op een maandelijks bedrag van € 207,- komt.

 

Verrekening

De man stelt zich nog op het standpunt dat de vrouw ook pensioen opgebouwd moet hebben, hetgeen dan verrekend zou moeten worden. Het Gerechtshof volgt de man hierin, maar de verrekening is niet in kort geding vast te stellen en neemt het recht van de vrouw niet weg.

 

Restitutierisico

Tot slot is het Gerechtshof van mening dat het restitutierisico geen belemmering vormt om de vorderingen van de vrouw toe te wijzen, nu zij het door haar geclaimde bedrag aannemelijk heeft gemaakt.

 

Conclusie

Boon / Van Loon staat nog regelmatig ter discussie. Deze uitspraak laat zien dat zelfs een kort geding hiervoor open staat om de rechten af te dwingen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat het Gerechtshof alleen de toekomstige uitkeringen vanaf het moment van het arrest heeft toegekend. Dit past echter wel bij de aard van pensioen. Dit neemt niet weg dat het goed is om te realiseren in een situatie van een scheiding onder Boon / Van Loon wanneer het pensioen ingaat en of reeds duidelijke verdelingsafspraken zijn gemaakt. Dit kan discussies en teleurstellingen voorkomen.

   


[1] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 5 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:792

 

Linda Evers
Over Linda

Mr. Linda Evers MPLA is sinds 2004 werkzaam als advocaat bij Gommer & Partners, daarvoor was zij werkzaam bij diverse verzekeraars en pensioenfondsen als pensioenjurist. Zij is lid van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen, treedt regelmatig op als docent en publiceert in [...]

Bekijk profiel