Pensioenverweer (1:153 BW) ziet uitsluitend op nabestaandenpensioen of daarmee vergelijkbare uitkering.

image_pdf

In geschil is de echtscheidingsbeschikking welke beschikking op verzoek van de vrouw is uitgesproken. In eerste aanleg heeft de man geen verweer gevoerd. In hoger beroep verzoekt de man de echtscheidingsbeschikking te vernietigen.

Volgens de man leidt toewijzing van het echtscheidingsverzoek ertoe dat hij een bestaand vooruitzicht op uitkeringen verliest. Hij beroept zich daarbij op art. 1:153 BW en wijst erop dat partijen zijn gehuwd onder huwelijkse vooraarden en dat zij op 28 maart 1985 ieder voor de onverdeelde helft een woning in eigendom hebben verkregen. De woning maakte deel uit van een landgoed dat is ingebracht in een BV die toebehoort aan de broer van de vrouw. Op enig moment is een terugkoop van de woning door de broer/zijn vennootschap overeengekomen waarbij € 760.930 in maandelijkse termijnen aan partijen zou worden voldaan. De betalingen zijn echter de afgelopen jaren door de BV van de broer alleen aan de vrouw voldaan. Volgens de man moeten de betalingen worden gezien als pensioenvoorziening. Ook de pensioenaanspraken zijn volgens de man niet verdeeld. Voor zowel het pensioen als voor de verdeling van de opbrengst van de woning dient volgens de man een voor beide partijen redelijke voorziening te worden getroffen alvorens de echtscheiding kan worden uitgesproken.

De vrouw stelt dat art. 1:153 BW alleen ziet op het nabestaandenpensioen, welk pensioen zij niet heeft opgebouwd en de maandelijkse termijnen i.v.m. de verkoop van de woning niet als zodanig zijn te beschouwen.

Hof
Op grond van art. 1:151 BW kan de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten worden uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is volgens het Hof sprake indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Nu partijen al geruime tijd niet meer samenwonen en er geen vooruitzicht is op herstel, is volgens het hof in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor echtscheiding. Dit is echter anders, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert. In dat geval kan ex 1:153 BW de echtscheiding niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten.

Het hof oordeelt dat in casu geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:153 BW. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit artikel uitsluitend ziet op de situatie dat als gevolg van de echtscheiding als juridisch feit een bestaand recht op een uitkering uit hoofde van een nabestaandenpensioen of daarmee vergelijkbare uitkering, zoals die krachtens levensverzekering, verloren zal gaan of zal verminderen. Het artikel ziet derhalve niet op verlies of vermindering op een bestaand recht op een uitkering uit hoofde van een ouderdomspensioen. Nu de vrouw geen nabestaandenpensioen heeft opgebouwd faalt het beroep van de man op artikel 1:153 BW. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:270

Maaike Theunis
Over Maaike

Maaike Theunis is in 2011 arbeids- en sociaalrechtelijk afgestudeerd aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens haar studie heeft ze extra verdiepende cursussen gevolgd in het kader van het tweejarig topklasprogramma van de Universiteit van Tilburg. Uiteraard heeft ze Pensioenrecht als [...]

Bekijk profiel