Principe Pensioenakkoord gepresenteerd

Op 5 juni 2019 is een principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel gepresenteerd. Alle betrokken partijen: kabinet, werkgevers- en werknemersorganisaties en de Sociaal-Economische Raad (SER) zijn positief, al geeft de FNV nog niet van een principeakkoord te willen spreken. De FNV-leden kunnen zich via een ledenreferendum, dat wordt uitgevoerd tussen 12 en 15 juni 2019 uitspreken over het akkoord. Het is dus nog afwachten. In onderstaand overzicht wordt een beeld geschetst van de belangrijkste onderdelen van het principeakkoord. 

Belangrijke aandachtspunten van akkoord zijn:

 

  1. Afschaffen van de doorsneepremiesystematiek

Als uitgangspunt wordt voorgesteld de deelnemers een leeftijdsonafhankelijke (gelijke) premie te verstrekken. Hiermee krijgen de deelnemers een pensioenopbouw die past bij de betaalde premie. Jongeren bouwen dan relatief gezien meer pensioen op dan ouderen, omdat hun premie-inleg langer rendeert. Voor de overstap van het doorsneepremie- naar het nieuwe premiesysteem met uitgebreide collectieve risicodeling (zowel in de opbouw- als in de uitkeringsfase) moeten bestaande deelnemers worden gecompenseerd. De wijze waarop is nog niet duidelijk.

Daarnaast moet het systeem van de verbeterde premieregeling (doorbeleggen) toegankelijker worden gemaakt voor pensioenfondsen.

De overstap op het nieuwe systeem impliceert dat alle bestaande pensioenovereenkomsten moeten worden aangepast. Er kan niet meer worden uitgegaan van een vaste pensioenopbouw, zoals bij een uitkeringsovereenkomst het geval is, voor de lange termijn. Voortaan zal de opbouw van nieuwe pensioenaanspraken afhankelijk zijn van de premie die in de pensioenovereenkomst is afgesproken en van de kostprijs van het pensioen, die weer varieert met de rente en de levensverwachting.

 

Fiscaal betekent dit dat alle pensioencontracten fiscaal begrensd worden op de voor iedereen geldende uniforme leeftijdsonafhankelijke premie. De hoogte van die premiegrens zal zodanig worden vastgesteld dat hiermee een adequate pensioen­opbouw wordt gefaciliteerd, waarbij de marktrente het uitgangspunt is. Uitgangspunt blijft de huidige ambitie van 75% van het gemiddelde loon in 40 dienstjaren. Meer dienstjaren resulteert dan in een hoger pensioenresultaat.

Ook voor lijfrenten in de 3e pijler zal dezelfde maximumpremiegrens gaan gelden.

 

  1. Meer keuzemogelijkheden

Mensen moeten meer keuzevrijheid hebben ten aanzien van hun pensioen. Een opmerkelijke nieuwe keuzemogelijkheid is dat elke deelnemer de keuze krijgt om een deel van zijn pensioen op pensioeningangsdatum op te nemen als een bedrag ineens ter hoogte van maximaal 10% van de waarde van het voor deze deelnemer opgebouwde ouderdomspensioen. Hiermee zou dan bijvoorbeeld de hypotheek afgelost kunnen worden. Het is echter ook mogelijk met dit bedrag bijvoorbeeld een wereldreis te bekostigen.

Eenzelfde wettelijke keuzemogelijk­heid wordt ook in de derde pijler ingevoerd.

 

Op korte termijn zal hierover een nadere informatie worden vertrekt.

 

  1. Positie zelfstandigen

Ofschoon zelfstandigen diverse mogelijkheden hebben om te sparen voor hun pensioen, wordt daar in de praktijk slechts beperkt gebruik van gemaakt. Voorgesteld wordt om te bekijken hoe zelfstandigen vrijwillig kunnen aansluiten bij de pensioenregeling in de sector of de onderneming waar zij werken, ook als zij voordien niet als werknemer hebben deelgenomen.

 

Daarnaast komt er een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico, zodat ook zelfstandigen worden beschermd tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid.

 

  1. Nabestaandenpensioen

In de huidige situatie is het voor deelnemers en nabestaanden vaak onduidelijk of men al dan geen recht heeft op een nabestaandenpensioen bij overlijden van de deelnemer. Dat komt mede door de verschillende soorten nabestaanden­pensioen (opbouw- en/of risicobasis, tijdsevenredig/bereikbaar) die naast elkaar bestaan; en wat er gebeurt bij baanwisselingen, werkloosheid of echtscheiding. Reden te meer om bij de vormgeving van het nieuwe stelsel hieraan bijzondere aandacht te schenken. Het streven is dat de default moet zijn dat het nabestaandenpensioen standaard goed is geregeld is, waarbij het nabestaandenpensioen meer wordt gestandaardiseerd, adequater en begrijpelijker wordt en risico’s worden verkleind. Ook hiervoor is niet aangegeven hoe men dit precies wil realiseren. Anderzijds wordt verwezen naar de initiatiefnota inzake het nabestaandenpensioen.

 

  1. Bestaande aanspraken invaren in nieuwe stelsel

Het verdient de voorkeur dat bestaande pensioenaanspraken en –rechten en pensioen­opbouw in het nieuwe stelsel bij elkaar worden gehouden. Daarom wordt voorgesteld dit te faciliteren, hetgeen concreet betekent dat na een collectieve waardeoverdracht de regels van het nieuwe pensioencontract ook gelden voor de reeds opgebouwde aanspraken.

Het kabinet is bereid om het collectief invaren van bestaande aanspraken te faciliteren en indien nodig, hiervoor wettelijke regels aan te reiken. Hiertoe zal in overleg met de sector nog een waarderingskader worden ontwikkeld worden.

Uiteindelijk is het echter aan sociale partners of bestaande aanspraken en rechten al dan niet worden overgedragen naar het nieuwe pensioencontract.

 

 

  1. AOW- en pensioenrichtleeftijd

De structurele koppeling van de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting wordt versoepeld.

Er wordt voorgesteld de AOW-leeftijd in 2020 en 2021 niet te verhogen, maar te handhaven op 66 jaar en 4 maanden.

Vervolgens zal de AOW-leeftijd vanaf 2022 in drie stappen worden verhoogd naar:

  • 66 jaar en 7 maanden in 2022;
  • 66 en 10 maanden in 2023;
  • 67 jaar in 2024.

De AOW-leeftijd blijft nadien gekoppeld aan de levensverwachting, maar zal minder snel stijgen. Voorgesteld wordt de AOW-leeftijd met ingang van 2025 voor 2/3 te koppelen aan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting op 65 jaar. Concreet betekent dit dat de toename van de levensverwachting met 1 jaar wordt vertaald in gemiddeld 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld 4 maanden langer AOW-pensioen.

 

Over de concrete stijging van de pensioenrichtleeftijd wordt verder niets gezegd.

 

  1. Zware beroepen

Werknemers en werkgevers kunnen op sectoraal niveau afspraken maken om specifieke groepen werknemers, die niet hebben kunnen anticiperen op de verhoging van de AOW-leeftijd en niet gezond kunnen blijven werken tot de AOW-leeftijd, meer handelingsperspectief te bieden om vervroegd met pensioen te gaan. Het wordt mogelijk uittredingsregelingen op te zetten op grond waarvan werknemers de mogelijkheid krijgen om drie jaar vóór het bereiken van de AOW-leeftijd te stoppen met werken. Voor uitkeringsbedragen tot € 19.000 is dan geen RVU-heffing verschuldigd  

 

gedurende een periode van vijf jaar (vanaf 2021), mits de vervroegde uittreding binnen de laatste drie jaar voor AOW-leeftijd plaatsvindt.

 

  1. Afstempelen

Op grond van het voorgestelde nieuwe pensioenstelsel worden bij een dekkingsgraad van 100% de pensioenen niet gekort. Bij een dekkingsgraad boven de 100% is het sneller mogelijk te indexeren. Keerzijde is dat bij een dekkingsgraad onder de 100% sneller gekort zal worden. Bovendien zal in de aanloop naar de overgang naar het nieuwe stelsel bekeken worden of de huidige kortingsregels tijdelijk aangepast kunnen worden, zodat rust ontstaat en gedurende de overgangsfase deelnemers niet worden geconfronteerd met kortingen bij een dekkingsgraad boven de 100%.

Hans Swagten
Over Hans

Drs. Hans C.G. Swagten CPC is pensioeneconoom en Certified Pension Consultant (CPC). Hij heeft een ruime ervaring in pensioenadvisering en treedt regelmatig als docent op bij verschillende pensioenopleidingen. Daarnaast is hij voorzitter van de Examencommissie van de MPLA van Oysterwyck [...]

Bekijk profiel