Prinsjesdag 2019: Aanvullende pensioenen

In de Miljoenennota 2020 geeft het kabinet aan te zorgen voor een toekomstbestendig pensioenstelsel. Daartoe hebben kabinet en sociale partners in het Pensioenakkoord afspraken gemaakt over de vernieuwing van het pensioenstelsel.

De gestegen levensverwachting, de veranderende arbeidsmarkt en de ontwikkelingen op de financiële markten hebben het afgelopen decennium de kwetsbaarheden van het pensioenstelsel blootgelegd.

 

Door over te stappen op premieregelingen met een meer neutrale vorm van pensioenopbouw, niet meer gestoeld op nominale zekerheid en meer keuzemogelijkheden te bieden, waarbij de sterke elementen van het bestaande pensioenstelsel (verplichte pensioenopbouw, collectieve uitvoering en collectieve risicodeling) behouden blijven, is het nieuwe pensioenstelsel robuuster en persoonlijker.  

 

Daarnaast heeft hebben kabinet en sociale partners afspraken gemaakt over duurzame inzetbaarheid, vervroegde uittreding en een minder snel stijgende AOW-leeftijd. Deze afspraken zien erop dat werkenden ook gezond met pensioen kunnen.   

 

De AOW-leeftijdsgrens is niet meer een-op-een gekoppeld aan de levensverwachting, maar heeft plaatsgemaakt voor een twee-op-drie koppeling. Dit houdt in dat een toename van de levensverwachting met 1 jaar een stijging van de AOW-leeftijd met acht maanden met zich meebrengt, in plaats van met één jaar.

 

Voor deze Pensioenakkoordmaatregelen trekt het kabinet flink wat geld uit. De vertraagde verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar in 2024 in plaats van in 2021 kost de aankomende jaren cumulatief ongeveer € 5 miljard.


De fiscale facilitering om individueel te sparen voor pensioen (lijfrente in 3e pijler) is gelijkgetrokken met de fiscale facilitering voor pensioensparen via de werkgever in de 2e pijler. Hiermee krijgen zelfstandigen meer mogelijkheden om pensioen op te bouwen. Dit kost structureel € 100 miljoen per jaar. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om een deel van het pensioen als bedrag ineens op te nemen. Dit levert € 20 miljoen per jaar aan belastinginkomsten op.

 

Het kabinet heeft incidenteel € 800 miljoen beschikbaar, dat in overleg met de sociale partners kan worden ingezet voor maatwerk op sectoraal of cao-niveau. Dit bedrag wordt onder andere gebruikt om werknemers duurzaam inzetbaar te houden, langer doorwerken te faciliteren en knelpunten op te lossen, zoals de RVU-heffing. Alleen al de kosten voor de gedeeltelijke vrijstelling van de Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU)-heffing bedragen incidenteel € 225 miljoen. Met de gedeeltelijke vrijstelling in de RVU kunnen werknemers eerder stoppen met werken doordat de werkgevers de periode tot aan de AOW-leeftijd kunnen helpen overbruggen.