Recht op bijzonder partnerpensioen voor ex-samenwoners?

Een vraag waar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich recentelijk over moest buigen. Wat was er aan de hand?

 

Appellante heeft in de periode 1974 – 2003 samengewoond met een deelnemer aan de Stichting Pensioenfonds voor de Tandtechniek in liquidatie, verder te noemen het pensioenfonds. In 1991 heeft appellante met haar toenmalige partner een notariële samenlevingsovereenkomst opgesteld. Deze in beëindigd in februari 2004. Ook deze beëindiging is notarieel vastgelegd. In 2010 overlijdt de deelnemer. Na zijn overlijden heeft appellante zich tot het pensioenfonds gericht, waar zij zelf ook pensioen heeft opgebouwd en verzocht om de toekenning van een partnerpensioen. Het pensioenfonds reageert hierop dat zij hierop geen recht heeft, omdat volgens de definities in het pensioenreglement 2004 zij niet kwalificeert als officiële ex-partner, nu dit alleen gehuwden of geregistreerde partners kunnen zijn.

 

In december 2014 dient appellante opnieuw een verzoek tot toekenning van een bijzonder partnerpensioen in en deze keer kent het pensioenfonds dit wel met terugwerkende kracht tot 2010 toe. Vervolgens is appellante het niet eens met de inhoudingen die het pensioenfonds op deze betaling heeft gedaan en dient een klacht in bij de Ombudsman Pensioenen. De Ombudsman heeft contact opgenomen met het pensioenfonds en het pensioenfonds reageert dat zij alvorens op de klacht in te gaan, altijd het dossier (nogmaals) inhoudelijk beoordeelt, en daarbij is geconstateerd dat appellante géén recht op bijzonder partnerpensioen heeft. De uitkeringen stoppen derhalve en de reeds ontvangen uitkeringen worden teruggevorderd, zo geeft het pensioenfonds aan. Hiervoor wordt een betalingstermijn van vier weken gegeven.

 

Het Gerechtshof haalt de relevante bepalingen aan uit de pensioenreglementen 2004 – 2007 en de in dit laatste reglement opgenomen overgangsbepaling. Uit deze bepaling vloeit voort dat aanspraken en rechten opgebouwd voor 31 december 2005 onder het op dat moment geldende reglement blijven vallen. Uit dat reglement blijkt dat er géén recht op bijzonder partnerpensioen is voor ongehuwd samenwonenden.

 

Appellante heeft in hoger beroep drie grieven ingediend: – tegen het oordeel van de kantonrechter dat ze geen recht op bijzonder partnerpensioen heeft – tegen het oordeel van de kantonrechter dat ze hetgeen ontvangen is, moet terugbetalen en – tegen de afwijzing van de reconventionele vordering.

 

Het Gerechtshof is van mening dat met betrekking tot het recht op bijzonder partnerpensioen geldt dat uit pensioenreglement 2004 voortvloeit dat er geen recht bestond voor appellante. Dat dit in 2007 is gewijzigd, maakt niet ex-partners van wie de relatie hiervoor is geëindigd, alsnog aanspraak op bijzonder partnerpensioen kunnen maken. Hiervoor is ook de overgangsbepaling in het leven geroepen. Dit standpunt wordt nog versterkt door de stelling van het pensioenfonds dat bij de premiestelling hiermee ook geen rekening is gehouden én dat de uitleg van appellante er ook toe zou leiden dat (bijzonder) partnerpensioenen ineens gedeeld zouden moeten worden met eerder niet bestaande aanspraken voor gewezen partners (niet gehuwden en geregistreerde partners). Deze grief wordt dan ook afgewezen, net als grief 3, waarin de appellante herstel van de uitkeringen vorderde.

 

Dan laat het Gerechtshof zich uit over de verplichting tot terugbetaling. Een vordering op grond van onverschuldigde betaling komt het pensioenfonds toe. Er komt echter wel betekenis toe aan de aard van de gedane uitkeringen. Deze zijn bedoeld om te voorzien in het levensonderhoud van de ex-partner. Als appellante de ontvangen bedragen heeft besteed aan levensonderhoud en te goeder trouw was, kan zij niet tot teruggave worden verplicht. Hierbij verwijst het Gerechtshof ook naar artikel 6:204 BW. Het Gerechtshof is van mening dat appellante te goeder trouw was. Zij kon niet weten dat haar aanvraag in 2014 een kansloze aanvraag was, de toekenning in 2015 onterecht was en wat de inhoud van de (overgangs-)bepalingen precies was. Zij hoeft het overgangsrecht niet beter te kennen dan het pensioenfonds zelf. Het pensioenfonds geeft weinig blijk van besef dat het vooral haar eigen fouten zijn, die deze procedure hebben veroorzaakt.

 

Appellante heeft van een gedeelte van de ontvangen uitkeringen aan kunnen tonen dat ze die gebruikt heeft voor levensonderhoud, dat haar rechten op toeslagen in 2015 verloren zijn gegaan en dat zij een belastingnadeel heeft geleden. Het netto restantbedrag moet alsnog door appellante terugbetaald worden, verhoogd met wettelijke rente. In het kader van de terugvordering geeft het Gerechtshof het pensioenfonds tot slot nog mee, dat zij erop moet toezien dat degene die zij daarvoor inschakelt rekening houdt met de wettelijke bepalingen ten aanzien van de beslagvrije voet en het verdere beslagrecht en dat zij wellicht het eigen pensioen van appellante dat binnenkort tot uitkering komt, in de verrekening kan betrekken. 

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4591

Linda Evers
Over Linda

Mr. Linda Evers MPLA is sinds 2004 werkzaam als advocaat bij Gommer & Partners, daarvoor was zij werkzaam bij diverse verzekeraars en pensioenfondsen als pensioenjurist. Zij is lid van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen, treedt regelmatig op als docent en publiceert in [...]

Bekijk profiel