Rechtbank Den Haag: Van testament afwijkende verdeling leidt tot toepassing artikel 10 SW

De vader van belanghebbende is in 1991 overleden. De nalatenschap is op grond van het testament geheel toebedeeld aan de moeder waardoor belanghebbende een onderbedelingsvordering heeft gekregen. Bij de verdeling is bepaald dat naast de opeisbaarheidsgronden in het testament de onderbedelingsvordering tevens opeisbaar is bij opname van de moeder in een verpleeginrichting of bejaardentehuis en dat de rente van de vordering wordt vastgesteld op 9% enkelvoudige rente in plaats van 6%.

In 1992 heeft de moeder – onder voorbehoud van recht van gebruik en bewoning – de economische eigendom van de voormalige echtelijke woning overgedragen aan belanghebbende. De koopprijs is voor een deel verrekend met de onderbedelingsvordering en voor de rest kwijtgescholden.

 

De moeder is in 2012 overleden. Volgens de inspecteur hebben de afwijkingen van het testament een fictieve verkrijging conform artikel 10 SW tot gevolg.

 

Rechtbank Den Haag is van oordeel dat belanghebbende door de afwijkingen van het testament bij het overlijden van zijn moeder een fictief voordeel heeft genoten. Dit zou anders zijn als belanghebbende voor de afwijkingen een tegenprestatie zou zijn overeengekomen. In dat geval zou sprake zijn van verplichtingen van de moeder en van belanghebbende die tegenover elkaar staan.

Het gelijk is aan de inspecteur.

 

Jos Brauwers
Over Jos

Jos Brauwers (1961) is als bedrijfs- en fiscaal econoom al ruim 30 jaar actief op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering en fiscale structurering van de ondernemer. Hierin staat voor hem centraal welke (toekomst)doelen heeft een ondernemer en (hoe) kan de ondernemer deze [...]

Bekijk profiel