Reikwijdte huwelijkse voorwaarden vóór inwerkingtreding WVPS

In deze zaak gaat het om de reikwijdte van huwelijkse voorwaarden daterend van vóór de inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding in 2016

Partijen zijn op 1 november 1985 gehuwd op huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat tussen echtgenoten slechts een gemeenschap van inboedel zal bestaan. Elke andere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap wordt uitgesloten.

 

Daarnaast is in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen dat na echtscheiding tussen partijen in geen geval verrekening van vóór en tijdens het huwelijk door een van hen of beiden opgebouwde pensioenaanspraken zal plaatsvinden.

 

Op 3 september 2015 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend. Op 22 september 2016 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

 

Op 31 maart 2017 heeft de Rechtbank Limburg de vordering inzake de verdeling van pensioenrechten (met een aantal andere vorderingen) afgewezen.

In hoger beroep vordert de vrouw onder andere te bepalen dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) van toepassing is en dat partijen dienovereenkomstig dienen over te gaan tot verevening.

 

Het hof komt tot de volgende conclusie

In artikel 11 WVPS  is bepaald dat: “Indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald.”

 

Aangezien de huwelijkse voorwaarden vóór de inwerkingtreding van de WVPS (1 mei 1995) zijn opgesteld, kan de WVPS als zodanig niet zijn uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden. Dienaangaande heeft de Hoge Raad op 24 oktober 1997 bepaald dat onder “uitdrukkelijk anders hebben bepaald” niet impliceert dat met zoveel woorden pensioenverevening als bedoeld in de WVPS moet zijn uitgesloten.

 

Van een “uitdrukkelijk” uitsluiten in de zin van artikel 11 WVPS is eveneens sprake als partijen in hun huwelijkse voorwaarden met het oog op een eventuele scheiding hebben bepaald dat (bepaalde) pensioenrechten niet worden verrekend (HR 19 november 2010).

 

Uit artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden hebben partijen bepaald dat: “Na echtscheiding zal tussen partijen in geen geval in verrekening worden gebracht de waarde van vóór en tijdens het huwelijk door een van hen of beiden opgebouwde pensioenaanspraken.”

 

Dit impliceert dat partijen zijn overeengekomen om de vóór en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken niet bij echtscheiding te verrekenen, zodat de vordering van de vrouw wordt afgewezen.

 

Hans Swagten
Over Hans

Drs. Hans C.G. Swagten CPC is pensioeneconoom en Certified Pension Consultant (CPC). Hij heeft een ruime ervaring in pensioenadvisering en treedt regelmatig als docent op bij verschillende pensioenopleidingen. Daarnaast is hij voorzitter van de Examencommissie van de MPLA van Oysterwyck [...]

Bekijk profiel