Revisierente bij afkoop lijfrente geen individuele en buitensporige last

image_pdf

Belanghebbende heeft in het jaar 2012 twee lijfrenteverzekeringen afgekocht. De afkoopsommen bedragen in totaal € 99.202. Ter zake van die afkoopsommen is revisierente in rekening gebracht. Hiertegen is belanghebbende uiteindelijk in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof Den Haag. Het Hof oordeelde in zijn uitspraak van 26 april 2017, nr. BK-16/00485, ECLI:GHDHA:2017:1555, dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Naar het oordeel van het Hof stelde belanghebbende geen feiten of omstandigheden op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de hem in rekening gebrachte revisierente hem zwaarder treft dan anderen aan wie revisierente in rekening is gebracht wegens afkoop van een gefaciliteerde (box 1-)lijfrente. Van schending van artikel 1 EP EVRM is dan ook geen sprake volgens het Hof.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Het geschil in cassatie betreft de vraag of bij belanghebbende sprake is van een individuele en buitensporige last ten gevolge van het in rekening brengen van revisierente op grond van artikel 30i Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De Advocaat-Generaal van de Hoge Raad (A-G) is van mening dat de heffing van revisierente gelet op de doelstelling van de wetgever om te voorkomen dat in strijd met de voorwaarden voor premieaftrek wordt gehandeld, het bewaren van het onderhoudskarakter van de lijfrentevoorziening en het door de wetgever gehuldigde uitgangspunt dat een belastingplichtige die een lijfrente met premieaftrek afkoopt niet beter af mag zijn dan een belastingplichtige die uit zijn netto-inkomen spaart en onder het forfaitaire rendement valt, niet van elke redelijke grond ontbloot is. De omstandigheid dat belanghebbende door het verlies van inkomen door de financiële crisis en ziekte zich gedrongen voelde over te gaan tot de afkoop van lijfrente, rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende door de in rekening gebrachte revisierente zwaarder is getroffen dan anderen. Zie de conclusie van de A-G van 22 december 2017, nr. 17/02950, ECLI:NL:PHR:2017:1462.

De conclusie is op 26 januari 2018 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel