Revisierente bij afkoop van Brede Herwaarderingslijfrente terecht berekend

Dit bericht betreft een samenvatting van een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Op 6 maart 2019 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan (kenmerk BRE 17/5920) in een zaak waarbij in geschil was of bij de afkoop van een lijfrente terecht revisierente in rekening is gebracht.

 

Belanghebbende X heeft in 1994 (Brede Herwaarderingsregime) een lijfrenteverzekering afgesloten. Daarbij heeft zij een eenmalige premie gestort van € 7.284. Dit bedrag is ten laste van belanghebbendes belastbare inkomen gebracht. In januari 2015 is de lijfrente geëxpireerd. De waarde daarvan in het economische verkeer bedroeg op dat moment € 18.677. X heeft ervoor gekozen om het opgebouwde bedrag ineens uit te laten keren (afkoop), in plaats van periodieke uitkeringen. De verzekeraar heeft bij de uitkering een bedrag van € 9.791 aan loonheffing ingehouden op de afkoopsom. In de aangifte IB/PVV over 2015 heeft X genoemde afkoop van de lijfrente aangegeven. Ter zake daarvan is bij het opleggen van de betreffende aanslag € 3.765 aan revisierente in rekening gebracht.

 

In zijn oordeel stelt de rechtbank voorop dat de revisierente in rekening wordt gebracht omdat X onterecht in het verleden premieaftrek heeft genoten, aangezien, door de wijze waarop de lijfrente is afgewikkeld, niet is voldaan aan de voorwaarden die golden voor die aftrek. De door X gestelde omstandigheid dat, indien zij niet tot afkoop zou zijn overgegaan, door haar pas belasting verschuldigd zou zijn geworden in de jaren waarin op grond van de lijfrenteverzekering uitkeringen zouden worden genoten, doet aan de ratio van de wettelijke revisierenteregeling niet af. De revisierente grijpt niet aan bij het verschil tussen heffing ineens over een afkoopsom en heffing in de loop der tijd over periodieke uitkeringen, maar redresseert de omstandigheid dat in het verleden ten onrechte premieaftrek is genoten. Ook de omstandigheid dat door X in economische zin nu geen positief rendement wordt behaald, doet volgens de rechtbank niet af aan het ingevolge de AWR verschuldigd zijn van de revisierente. Toepassing van de wet is naar de letter volgens de rechtbank in casu in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

 

De uitspraak is op 19 april 2019 gepubliceerd.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel