Splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting is van toepassing

De Hoge Raad heeft op 13 september 2019 uitspraak gedaan of de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting van toepassing is op een situatie waarin de aandelen in belanghebbende, opgericht bij juridische splitsing, binnen 3 jaar worden verkocht.

Belanghebbende is op 17 november 2015 opgericht bij akte van splitsing van A bv. Hieraan voorafgaand heeft A bv op 17 juni 2015 met Y bv een overeenkomst gesloten voor de verkoop door A bv van de aandelen in belanghebbende aan Y bv. Door de splitsing heeft belanghebbende onder andere meerdere registergoederen verkregen.

In geschil is of de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting van toepassing is.

 

Naar het oordeel van Hof Den Haag is sprake van een splitsing die heeft plaatsgevonden op grond van zakelijke overwegingen (op bedrijfseconomische (commerciële) en marktstrategische gronden genomen ondernemingsbeslissingen). Weliswaar zijn de aandelen in belanghebbende binnen drie jaar na de splitsing verkocht (aan een derde), maar dat heeft naar het oordeel van het hof, aangezien belanghebbende de vereiste zakelijke overwegingen heeft aangetoond, niet tot gevolg dat de vrijstelling komt te vervallen. De Hoge Raad onderschrijft dit oordeel.

 

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet in strijd is met doel en strekking van de wet. De Hoge Raad verwijst in dit kader naar het (op die voorwaarden voor de vennootschapsbelasting betrekking hebbende) Bulkgasarrest (HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8201). Belanghebbende kan dan ook beroep doen op toepassing van de splitsingsvrijstelling.