Transitievergoeding op de AOW-leeftijd gaat de zorgplicht van de werkgever te buiten

Reeds eerder schreef ik over de lopende discussie of het terecht is dat een werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en van wie om die reden de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, geen recht op de transitievergoeding heeft. De vraag die al een tijdje speelde was of deze uitzondering kan worden gezien als leeftijdsdiscriminatie.

Een kort toelichting. Artikel 7:673 BW regelt dat als een arbeidsovereenkomst die ten minste 24 maanden heeft geduurd en door of vanwege de werkgever wordt beëindigd, de werknemer recht heeft op een transitievergoeding. De transitievergoeding heeft twee doelen: enerzijds is sprake van een compensatie voor het ontslag en anderzijds moet de vergoeding de overgang naar ander betaald werk vergemakkelijken.

De uitzonderingen op het recht op transitievergoeding staan in artikel 7:673 lid 7 BW. Er is geen transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op of na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Het doel hiervan is te voorkomen dat de transitievergoeding toe komt aan mensen die niet langer zijn aangewezen op het verrichten van arbeid om in hun levensonderhoud te voorzien, nu zij een vervangend inkomen in de vorm van ouderdomspensioen ontvangen.

Rechtbank Midden-Nederland[1] vond dat prejudiciële vragen gesteld moesten worden aan de Hoge Raad. De Rechtbank heeft vragen geformuleerd waarbij met name wordt ingegaan op het eerste doel van de transitievergoeding, het compenseren van het ontslag. De Rechtbank is op zich van mening dat het doel legitiem is, maar vraagt zich af of het niet in strijd met de Richtlijn is om een dergelijke regel voor iedereen toe te passen, omdat niet voor alle AOW-gerechtigden geldt dat zij daarmee kunnen voorzien in hun levensonderhoud en niet meer afhankelijk zijn van arbeid. Dit brengt de Rechtbank dan weer terug bij de rechtsgeldigheid van de bepaling an sich.

De Hoge Raad is overgegaan tot het beantwoorden van de prejudiciële vragen en komt tot het volgende oordeel.

De Hoge Raad begint met een uitleg van de Europese Richtlijn. Volgens art. 6 lid 1 Richtlijn vormen verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen (verboden) discriminatie, indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Daarbij speelt een rol dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken, niet alleen bij de beslissing welke van meerdere doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij specifiek willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt.

Bij beantwoording van de vraag of de uitsluiting van een transitievergoeding voor werknemers die bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst de AOW-leeftijd hebben bereikt, wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, zijn de achtergronden en doelstellingen zowel van de regeling van de transitievergoeding als van de uitsluiting daarvan van belang. De Hoge Raad haalt vervolgens een aantal passages uit de kamerstukken van de Wet Werk en Zekerheid aan:

  • De transitievergoeding is bedoeld als compensatie voor het ontslag en om de werknemer met behulp van de hiermee gemoeide financiële middelen in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken;
  • Gekozen is voor een eenduidig systeem. Iedere werknemer met een dienstverband van ten minste 24 maanden heeft op een transitievergoeding en de wijze van opbouw van dit recht is wettelijk verankerd. Een dergelijk systeem bevordert de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid;
  • De transitievergoeding moet niet beschouwd worden als een aanvullende inkomensvoorziening bij werkloosheid;
  • Het moeten betalen van de transitievergoeding geeft invulling aan de zorgplicht die een werkgever heeft ten opzichte van een werknemer die wordt ontslagen of waarvan het tijdelijk contract niet wordt verlengd. De regering heeft geoordeeld dat die zorgplicht niet zo ver gaat dat een werkgever ook een transitievergoeding verschuldigd zou moeten zijn aan werknemers, waarvan de arbeidsovereenkomst eindigt in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Deze werknemer zijn immers niet langer voor het voorzien in hun inkomen aangewezen op het verrichten van arbeid;
  • De invoering van de transitievergoeding levert een bijdrage aan het vereenvoudigen van het ontslagrecht door het vergroten van de rechtszekerheid;
  • De regering is van mening dat er een natuurlijk moment moet blijven waarop een arbeidsovereenkomst op latere leeftijd van de werknemer zonder inhoudelijke toets en zonder kosten voor de werkgever kan eindigen. Dit standpunt sluit ook aan bij het feit dat werknemers vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in beginsel niet langer aangewezen zijn op het verrichten van arbeid voor het voorzien in hun inkomen;
  • De regering vindt het volledig uitsluiten van de transitievergoeding in geval een arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet nadat de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, gerechtvaardigd. Het doel hiervan is te voorkomen dat een transitievergoeding ten goede komt aan personen die voor hun levensonderhoud niet langer zijn aangewezen op het verrichten van arbeid. Zij ontvangen immers een vervangend inkomen in de vorm van AOW.

Vervolgens gaat de Hoge Raad over tot een weging van deze argumenten van de regering. Het feit dat de transitievergoeding als doel heeft het bieden van compensatie voor het ontslag, moet gezien worden in verband met de omstandigheid dat de werknemer nog is aangewezen op het verrichten van arbeid om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De transitievergoeding compenseert dus (in zekere mate) het wegvallen van het inkomen om in dat onderhoud te kunnen voorzien. Dit past in de zorgplicht die op een werkgever rust. Deze zorgplicht gaat echter niet zo ver dat dit ook geldt voor werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken, nu zij in principe niet langer zijn aangewezen op arbeid om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.

De Hoge Raad komt dan ook tot het oordeel dat het doel van de uitsluiting legitiem is in de zin van de Richtlijn. Met de uitsluiting wordt bereikt dat personen die in de regel niet langer aangewezen zijn op het verrichten van arbeid om in hun levensonderhoud te voorzien, aanspraak kunnen maken op een transitievergoeding. Het gekozen middel is ook passend, omdat de regeling daadwerkelijk voorkomt dat aanspraak op een transitievergoeding kan worden gemaakt door een groep die niet langer van arbeid afhankelijk is om te voorzien in het levensonderhoud. Tot slot is de Hoge Raad van mening dat het middel passend is. De uitsluiting maakt niet dat op excessieve wijze inbreuk wordt gemaakt op de legitieme belangen van de personen die geen aanspraak op een transitievergoeding kunnen maken.

Niet in alle gevallen zal een dergelijke werknemer niet langer aangewezen zijn op het verrichten van arbeid om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud, maar het abstracte en gestandaardiseerde karakter van de regeling voor de transitievergoeding maakt dat het niet wenselijk is om alsnog een individuele toets in te voeren. De praktische uitvoerbaarheid van de regeling prevaleert.

Hoge Raad, 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:651

[1] Rechtbank Midden-Nederland, 30 juni 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3249

 

Linda Evers
Over Linda

Mr. Linda Evers MPLA is sinds 2004 werkzaam als advocaat bij Gommer & Partners, daarvoor was zij werkzaam bij diverse verzekeraars en pensioenfondsen als pensioenjurist. Zij is lid van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen, treedt regelmatig op als docent en publiceert in [...]

Bekijk profiel