Vaste termijnverzekering is levensverzekering; rentecomponent in uitkering belast

Dit bericht betreft een samenvatting van een uitspraak van het Hof Amsterdam.

Op 16 juli 2019 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak waarbij in geschil was of de IB-aanslag niet te hoog is vastgesteld (kenmerk 18/00403). Het geschil spitst zich specifiek toe op de vraag of de in 2013 door belanghebbende ontvangen uitkering van OHRA door de inspecteur terecht in de heffing is betrokken. In de zaak speelde het volgende.

 

Belanghebbende heeft op 16 maart 1993 een vaste termijnverzekering afgesloten bij OHRA Levensverzekeringen N.V. (hierna: OHRA). De einddatum van deze vaste termijnverzekering was
16 maart 2013. Het verzekerd bedrag op de einddatum was bepaald op AUS $ 65.114,99. Op 28 april 2015 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2013 gedaan. In die aangifte heeft zij ter zake van de door haar ontvangen uitkering uit de hiervoor genoemde vaste termijnverzekering niets aangegeven. Met dagtekening 16 maart 2016 heeft de inspecteur de in geding zijnde aanslag IB/PVV 2013 opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur een bedrag van € 23.147 als belastbaar rentebestanddeel kapitaalverzekering in aanmerking genomen in verband met de uitkering door OHRA aan belanghebbende in verband met de vaste termijnverzekering. Uiteindelijk leidde de zaak tot hoger beroep.

 

De Rechtbank Noord-Holland oordeelde in zijn uitspraak dat de vaste termijnverzekering niet is aan te merken als kapitaalverzekering. Het door belanghebbende bij OHRA afgenomen product heeft volgens de rechtbank veeleer de kenmerken van een bancair product. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de onderhavige in 1993 gesloten overeenkomst tussen belanghebbende en OHRA wél aangemerkt dient te worden als levensverzekering. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, uitgaande van het tot de gedingstukken behorende polisbescheiden, de tussen belanghebbende en OHRA in 1993 gesloten de overeenkomst ten tijde van het sluiten daarvan de volgende kenmerken had:

  • op de einddatum is het verzekerde bedrag Australische $ 65.114,99;
  • premies zijn niet langer verschuldigd dan tot de premievervaldag volgend op het overlijden van de verzekerde.

Het voorgaande brengt volgens het hof vervolgens mee dat de verschuldigdheid van premies (de premiebetaling) afhangt van het leven van belanghebbende. Onder die omstandigheden is de door belanghebbende met OHRA gesloten overeenkomst aan te merken als een levensverzekering in de zin van het arrest van de Hoge Raad van van 9 december 1959, nr. 14 067, ECLI:NL:HR:1959:AY1732. Dat belanghebbende twee jaar na het sluiten van de overeenkomst de verzekering premievrij heeft gemaakt doet aan de aard van de overeenkomst niet af. Het karakter van de overeenkomst dient immers te worden beoordeeld op het moment van het afsluiten van de overeenkomst.

 

Aangezien belanghebbende niet aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoet, vormt de belastbare rente in de kapitaalsuitkering in 2013 inkomen uit werk en woning in box 1. De belastbare rente begrepen in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekeringen moet worden gesteld op het bedrag waarmee de uitkering overtreft hetgeen ter zake van de verzekering aan premies is voldaan. Bij deze zogenaamde
saldomethodiek worden ook de behaalde valutaresultaten in ogenschouw genomen. Gelet hierop is
door de inspecteur terecht een bedrag van € 23.147 als belastbaar deel van de uitkering uit de verzekering in aanmerking genomen. De slotsom is dat het gelijk aan de inspecteur is en de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

 

De uitspraak van het hof is gepubliceerd op 31 juli 2019.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel