Vergoeding buitengerechtelijke kosten bij afwikkeling schade na achterop rijden

Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat de buitengerechtelijke kosten voor de rechtshulpverlener gematigd moeten worden.

ER vindt een ongeval plaats. Een passagier van een auto die voor een rotonde staat te wachten raakt gewond nadat een andere auto daar achteroprijdt. De WAM-verzekeraar erkent aansprakelijkheid. Een advocaat staat het slachtoffer bij. Er worden kosten van rechtsbijstand geclaimd en betaald, maar een aantal nota’s wil de WAM-verzekeraar niet betalen, omdat die te hoog worden gevonden. Daarvoor wordt een deelgeschilprocedure gestart.

 

De rechtbank vindt dat dit op zich kan, omdat de discussie over de te vergoeden kosten een eindbeslissing in de weg staat. De rechtbank past vervolgens de dubbele redelijkheidstoets toe. Het maken van de kosten moet redelijk en noodzakelijk zijn en daarnaast moeten de kosten naar hun omvang redelijk zijn. Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan, nu het gebruikelijk is dat het  bij letselschade in zijn algemeenheid redelijk is om daarbij die deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat een schade uiteindelijk beperkt kan zijn, hoeft niet aan vergoeding in de weg te staan.

 

De rechtbank wijst erop dat er an sich een grote mate van vrijheid is bij de inrichting en omvang van de werkzaamheden door de rechtshulpverlener. Als de kosten ten laste van een aansprakelijke partij komen, moet met die belangen echter wel rekening gehouden worden. De zaak is eenvoudig en overzichtelijk. Over de toedracht en aansprakelijkheid is geen discussie geweest. Ondanks de nauwkeurige specificatie van de werkzaamheden tot op de minuut wil dat nog niet zeggen dat al de werkzaamheden redelijk en noodzakelijk waren. De rechtbank stelt daarom zelf de redelijke tijd vast die voor vergoeding in aanmerking komt.