Vergoeding voor meewerkende echtgenote niet aftrekbaar van winst

Hof Den Haag heeft op 18 december 2019 uitspraak gedaan of een IB-ondernemer een aan zijn echtgenote betaalde vergoeding van € 1.500 voor door haar verrichte werkzaamheden van zijn winst mag aftrekken.

Belanghebbende is IB-ondernemer. Zijn echtgenote verricht enkele uren per week of per maand werkzaamheden voor de onderneming. Belanghebbende betaalt haar hiervoor jaarlijks een vergoeding van € 1.500. Hij trekt dit bedrag af, omdat volgens belanghebbende zijn echtgenote op vrijwilligersbasis de werkzaamheden heeft verricht.

 

In geschil is of belanghebbende de jaarlijkse vergoeding van € 1.500 van zijn winst mag aftrekken. Volgens de inspecteur is de aftrek op grond van artikel 3.16 lid 4 Wet IB 2001 niet toegestaan. Hierin is bepaald dat een arbeidsvergoeding voor de partner niet in aftrek komt, indien de vergoeding lager is dan € 5.000.

 

Hof Den Haag overweegt dat in artikel 3.16 lid 4 Wet IB 2001 wordt gesproken van ‘vergoeding van arbeid door de partner’. Uit deze bewoordingen leidt het hof af dat de aftrekbeperking betrekking heeft op vergoeding van door de partner ten behoeve van de onderneming van de belastingplichtige verrichte werkzaamheden in het algemeen. De bewoordingen geven derhalve geen steun aan de opvatting van belanghebbende dat werkzaamheden op vrijwilligersbasis worden uitgesloten.

 

Verder stelt het hof dat doel en strekking van artikel 3.16 lid 4 Wet IB 2001 evenmin steun bieden aan de opvatting van belanghebbende. Het gelijk is dan ook aan de inspecteur.