Verpanding pensioen in echtscheidingsconvenant is nietig; terugbetaling van pensioenuitkering aan pensioenuitvoerder is volgens Rechtbank Amsterdam naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

image_pdf

Wat was er aan de hand?
Eisers zijn op 10 mei 1969 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 26 mei 2010 is de echtscheiding tussen eisers uitgesproken. De Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding is van toepassing. Partijen wijken niet af van de standaardverevening. De vrouw maakt aanspraak op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vroeg- en ouderdomspensioen. De vrouw heeft een rechtstreeks recht op uitbetaling hiervan jegens de pensioenuitvoerder.

Partijen hebben ter afwikkeling van schulden, in het echtscheidingsconvenant bepaald dat op verzoek van de vrouw de man ter meerdere zekerheid voor de aflossing van de genoemde schulden aan de vrouw zekerheden zal verstrekken, waaronder het pensioen van de man.

Het gaat derhalve om de na verevening resterende pensioenuitkering aan de man. Bij pandakte heeft de man dan ook aan de vrouw een pandrecht verleend op alle huidige en toekomstige uitkeringen waarop de man recht heeft of zal krijgen op grond van de door hem opgebouwde pensioenen van PME. Deze pandakte is op 6 juli 2010 geregistreerd bij de Belastingdienst.

Met ingang van 1 januari 2012 is door de pensioenuitvoerder het pensioen van de man aan de vrouw uitkeert. Na 3 jaar wordt door PME aan partijen schriftelijk bericht, kort gezegd, dat de uitbetaling van het ouderdomspensioen van de man aan de vrouw per direct is stopgezet vanwege het bepaalde in artikel 64 Pensioenwet (PW). PME vordert tevens dat de vrouw het aan haar uitgekeerde pensioen moet terugbetalen.

De man en de vrouw betrekken PME in rechte en vorderen een verklaring voor recht dat de verpanding van de pensioenuitkeringen in de pandakte rechtsgeldig is en dat PME het pensioen van de man moet blijven uitbetalen aan de vrouw.

Het geschil
De kern van het geschil betreft de vraag of de verpanding van de pensioenuitkeringen, zoals vastgelegd in de pandakte rechtsgeldig is in verband met het bepaalde in artikel 64 PW. In genoemd artikel is vastgelegd dat vervreemding of elke andere handeling, waardoor de aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde enig recht op zijn pensioenaanspraken of pensioenrechten aan een ander toekent nietig is, tenzij dit plaatsvindt in de wettelijk vastgestelde gevallen.

Volgens eisers dient PME de uitkering van het pensioen op grond van de pandakte aan de vrouw te betalen omdat er geen sprake is van een nietige verpanding. In artikel 64 lid 1 PW staat volgens eisers niet dat vervreemding (of een andere handeling zoals verpanding) van een pensioenuitkering verboden is. In het artikel gaat het om pensioenaanspraken of pensioenrechten.

PME heeft het bovenstaande met een beroep op de parlementaire geschiedenis bij de PW gemotiveerd bestreden. Daartoe heeft PME gesteld dat het vervreemden van enig recht op pensioenaanspraken of pensioenrechten nietig is. Dit betekent volgens PME dat ook de vervreemding van de met pensioenaanspraken en pensioenrechten samenhangende rechten, zoals het recht op uitbetaling, nietig is. Daarbij heeft PME verwezen naar de definities van pensioenaanspraak en pensioenrecht in de PW. Een pensioenrecht het recht op een ingegaan pensioen, zoals in onderhavige kwestie.

De kantonrechter verwijst naar de parlementaire geschiedenis. Hierin is aangegeven dat vervreemding van de pensioenaanspraak in beginsel verboden is. Uitgangspunt is dat de pensioengelden te allen tijde hun bestemming moeten behouden. Daarom geldt een afkoopverbod en is waardeoverdracht alleen onder nader omschreven voorwaarden toegestaan. Wanneer de mogelijkheid bestaat om een pensioenaanspraak of -recht te vervreemden en de aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde iemand zou vinden die bereid is om hem in ruil daarvoor een bedrag ineens te geven, dan kan daarmee feitelijk een vergelijkbaar resultaat bereikt worden als met afkoop.

Naar het oordeel van de kantonrechter valt het door eisers verdedigde standpunt niet te verenigen met het doel en de strekking van artikel 64 PW. De wettelijke definities van pensioenrecht en pensioenaanspraak maken duidelijk dat naast deze begrippen geen plaats is voor de door eisers bepleite betekenis van de pensioenuitkering als een afzonderlijk recht die niet door de Pensioenwet is gedefinieerd.

De pensioenuitkering, waarop eisers hun betoog richten, maakt deel uit van het pensioenrecht, namelijk de maandelijkse uitkering uit hoofde van het recht op een ingegaan pensioen. In de door eisers bepleite betekenis zou de in het tweede lid van artikel 64 PW geregelde mogelijkheid van een herroepelijke volmacht tot invordering van uitkeringen uit hoofde van een pensioenrecht (dit is de pensioenuitkering waarop eisers doelen) als uitzondering op de hoofdregel van het eerste lid zinledig zijn.

De kantonrechter overweegt verder het volgende. Eerst nadat de pensioenuitkering aan de man is betaald staat het hem vrij deze te besteden, zoals hem dat goed dunkt en indien en voor zover hierop geen beslag rust. De vordering in conventie wordt dan ook afgewezen.

Vordering tot terugbetaling
Dit geldt ook voor de vordering in reconventie van PME, tot terugbetaling van de aan de vrouw uitgekeerde bedragen, op grond van onverschuldigde betaling.

Hoewel de kantonrechter voor oordeel is dat pandakte nietig is, zodat betalingen uit hoofde van die pandakte onverschuldigd zijn omdat die zonder rechtsgrond zijn gedaan, is de vordering tot terugbetaling in de gegeven de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De kantonrechter overweegt hierbij dat van PME en haar rechtsvoorgangster als pensioenuitvoerder mag worden verwacht dat zij bekend zijn met de betekenis van artikel 64 PW. En dus niet tot uitbetaling aan de vrouw hadden moeten overgaan. Daar komt bij dat het vertrouwen dat de vrouw uit de ontvangen betalingen gedurende bijna drie jaar en de daaraan voorgegane correspondentie met betrekking tot de registratie bij de belastingdienst heeft ontleend, gerechtvaardigd was (ECLI:NL:RBAMS:2016:9386).Balieplus

Mirjam Koenes
Over Mirjam

[...]

Bekijk profiel