Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Verrekening agio met schuld DGA is regulier voordeel

Wanneer een DGA zijn bv bevoordeelt, dan betekent dat in fiscale zin een informele kapitaalstorting. De vraag die vervolgens kan opkomen is wat de fiscale gevolgen zijn als deze kapitaalstorting wordt verrekend met de rekening-courantschuld die de DGA bij de bv heeft. Heeft dat een heffing in box 2 tot gevolg?

Hof Den Haag heeft op 28 juli 2020 een antwoord op deze vraag gegeven.

De informele kapitaalstorting

Het begrip ‘informele kapitaalstorting’ is een van oorsprong fiscaalrechtelijk begrip. Van een informele kapitaalstorting is sprake indien door de DGA kapitaal wordt ingebracht in zijn bv waartegenover door de bv geen aandelen worden uitgegeven. De overdracht ten titel van informele kapitaalstorting is geen storting op aandelen als bedoeld in artikel 2:191 BW maar zou juridisch kunnen worden gekwalificeerd als een nadere storting op reeds geplaatste en volgestorte aandelen.

De informele kapitaalstorting vindt plaats door de verstrekking van een voordeel door de DGA aan de verkrijgende bv. Dit kan een voordeel in goederen of een voordeel in de kostensfeer zijn (bijvoorbeeld de DGA rekent een te lage huur voor een pand of een te lage rente op een lening).

Hierbij is van belang dat pas sprake kan zijn van een informele kapitaalstorting als vermogen (fictief) verschuift van de DGA naar de bv. Deze vermogensverschuiving moet bovendien plaatsvinden op grond van aandeelhoudersmotieven.

In de uitspraak van 28 juli 2020 heeft Hof Den Haag antwoord gegeven op de vraag of een informele kapitaalstorting zonder heffing in box 2 kan worden verrekend met een rekening-courantschuld van de DGA.

Uitspraak Hof Den Haag

De casus

Belanghebbende is DGA. Zijn holding-bv bezit alle aandelen in een dochter-bv. In 2010 heeft belanghebbende een pand met een waarde van € 1.100.000 ingebracht in de dochter-bv. De dochter-bv neemt de hypotheek groot € 572.000 op het pand over.

Belanghebbende en de dochter-bv hebben een overeenkomst gesloten waarin is bepaald dat belanghebbende het pand zonder tegenprestatie in de vennootschap inbrengt ten titel van informele kapitaalstorting. De informele kapitaalstorting bedraagt per saldo € 528.000. In de boekhouding van de dochter-bv is de informele kapitaalstorting als agio verwerkt.

In 2013 vindt, na besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van de holding-bv, verrekening plaats van de agioreserve van de dochter-bv met de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de dochter-bv.

Volgens de inspecteur is deze verrekening aan te merken als terugbetaling van agio in de zin van artikel 4.12 Wet IB 2001. De terugbetaling van agio is volgens de inspecteur derhalve een regulier voordeel en daarmee inkomen uit aanmerkelijk belang. Volgens belanghebbende is er geen sprake van genoten voordeel, omdat er geen geld is onttrokken aan de onderneming.

Overwegingen en oordeel Hof Den Haag

Hof Den Haag overweegt dat in artikel 4.13 lid 1 letter b Wet IB 2001 - voor zover van belang - is bepaald dat tot de reguliere voordelen als bedoeld in artikel 4.12 onderdeel a Wet IB 2001 onder meer behoort ‘de teruggaaf van wat op aandelen is gestort’. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2008 (BNB 2009/13, zie externe links) volgt dat agio valt onder ‘hetgeen op aandelen is gestort’. Dat betekent dat een terugbetaling van agio moet worden aangemerkt als een teruggaaf van wat op aandelen is gestort.

Het hof overweegt vervolgens dat op grond van artikel 4.43 lid 1 letter b Wet IB 2001 reguliere voordelen - voor zover van belang – worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn verrekend. Vast staat dat de terugbetaling van de agioreserve in het onderhavige jaar heeft plaatsgevonden door verrekening in de rekening-courantverhouding tussen de dochter-bv en belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat er geen sprake is van genoten voordeel, omdat geen geld is onttrokken aan de onderneming stuit hierop af. In 2013 is derhalve door belanghebbende een regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.12 en 4.13 Wet IB 2001 genoten.

Ook de stelling van belanghebbende dat, zo er al een voordeel voor de aandeelhouder zou zijn, dit een voordeel van de holding-bv zou zijn, nu deze 100% aandeelhouder was van de dochter-bv, gaat volgens het hof niet op. Met de boekhoudkundige verwerking bij de dochter-bv, waarbij de agioreserve is verrekend met de rekening-courantschuld van belanghebbende, is dit voordeel toegekomen aan belanghebbende persoonlijk en niet aan de holding-bv.

Het hof oordeelt dat de inspecteur de terugbetaling van agio terecht als een regulier voordeel in aanmerking heeft genomen.

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships