Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Vrijwillige vertrekregeling aangemerkt als RVU

Dit bericht betreft een samenvatting van een uitspraak van de Rechtbank Den Haag.

Op 12 september 2019 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak (AWB 18/3414) waarbij primair in geschil was of een vrijwillige ontslagronde, gevolgd door gedwongen ontslagen drie jaar later, moet worden aangemerkt als één reorganisatie. Subsidiair was in geschil of het loon dat is betaald gedurende de opzegtermijn tot de grondslag van de RVU-heffing behoort. In de zaak speelde het volgende.

 

Bedrijf X maakt onderdeel uit van een wereldwijd opererend concern dat verpakkingsglas produceert voor de voedings- en drankenindustrie. In verband met de zware concurrentie in de glas producerende sector en een overschot aan verpakkingsglas in de markt heeft bedrijf X in 2014 besloten in Nederland het personeelsbestand van de betreffende productiebedrijven in te krimpen. In het kader hiervan heeft bedrijf X geïnventariseerd welke met name oudere werknemers op vrijwillige basis wilden afvloeien om plaats te maken voor jongere werknemers.

 

Met de werknemers die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid vervroegd uit te treden (vrijwillige ontslagronde), is een afvloeiingsregeling overeengekomen waarbij o.a. is overeengekomen dat de werknemer gedurende de opzegtermijn is vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris, vakantietoeslag, e.d. De afvloeiingsregelingen zijn vastgelegd in vaststellingsovereenkomsten. In totaal hebben 45 werknemers daarvan gebruik gemaakt. Op twee na zijn alle werknemers ouder dan 60 jaar. De helft van de deelnemers was werkzaam bij bedrijf X in de Nederlandse productiebedrijven.

 

Tijdens een periodiek overleg in het kader van het horizontaal toezicht, heeft de inspecteur aangegeven van mening te zijn dat de afvloeiingsregeling moet worden aangemerkt als een Regeling vervroegd uittreden (RVU) en dat - naast de uitkering vanaf datum uitdiensttreding tot aan de pensioenleeftijd - ook het loon gedurende de opzegtermijn tot de grondslag van de RVU-heffing moet worden gerekend. Dienovereenkomstig is aangifte loonheffingen gedaan. Tegen de betreffende afdracht heeft bedrijf X bezwaar en vervolgens beroep aangetekend.

 

In januari 2017 heeft de directie bekend gemaakt dat de fabriek in een van de Nederlandse vestigingen per augustus 2017 zou worden gesloten met als gevolg het gedwongen ontslag van ca. 230 werknemers in 2017. In het kader van deze sluiting is in maart 2017 overeenstemming bereikt met de vakbonden over een Sociaal Plan.

 

Gelet op de gepresenteerde feiten is de rechtbank van oordeel dat de vrijwillige ontslagronde geheel los staat van de gedwongen ontslagronde en derhalve ten aanzien van de vrijwillige ontslagronde afzonderlijk moet worden beoordeeld of er sprake is van een RVU. Ten aanzien van het subsidiaire geschilpunt stelt de rechtbank vast dat uitsluitend in geschil is of de doorbetaling van het salaris gedurende de opzegtermijn als RVU moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze betalingen gedurende de opzegtermijn deel uit van het inkomen dat dient ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum en maken zij daarmee onderdeel uit van de totale regeling in de zin van artikel 32ba, ldi 6 van de Wet LB 1964. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat op de loonbetalingen gedurende de opzegtermijn terecht de RVU-heffing is ingehouden en afgedragen.

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships