Waarde vordering is de nominale waarde

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 12 november 2019 uitspraak gedaan of een vordering voor de rendementsgrondslag van box 3 een lagere waarde dan de nominale waarde heeft.

Belanghebbende heeft in 2013 een bedrag van € 44.000 uitgeleend aan B. Volgens de leenovereenkomst heeft de lening een looptijd tot 1 oktober 2020 en ontvangt belanghebbende een rente die gelijk is aan de wettelijke rente. In juni 2015 zijn belanghebbende en B overeengekomen dat de volledige lening gezien de slechte economische situatie van B (als ondernemer) door belanghebbende wordt kwijtgescholden.

 

In zijn aangifte inkomstenbelasting 2014 heeft belanghebbende de lening aan B niet tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend. De inspecteur is hier niet mee eens.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt dat de vordering moet worden gewaardeerd op de waarde economisch verkeer op de peildatum (hier: 1 januari 2014). Het is mogelijk dat lager gewaardeerd mag worden wegens omstandigheden die later bekend zijn geworden. De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende.

 

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B in een slechte financiële positie is komen te verkeren en dat dit heeft geleid tot de kwijtschelding. Volgens het hof is dit echter voldoende om aannemelijk te maken dat de waarde van de vordering op de peildatum lager was dan de nominale waarde. Belanghebbende heeft de slechte financiële positie van B namelijk op geen enkele wijze onderbouwd. Het gelijk is daarom aan de inspecteur.