Waardering loonstamrecht rekenrente 3% of 4%?

A heeft van zijn voormalig werkgever een ontslagvergoeding gekregen van
€ 268.032,58. Hij heeft deze vergoeding omgezet in een stamrecht (artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet LB 1964, welke wordt uitgevoerd bij een door hem op 18 februari 2010 opgerichte B.V..

Het geschil spitst zich toe op de hoogte van de stamrechtverplichting in de B.V..

In de tussen A en zijn B.V. gesloten stamrechtovereenkomst is opgenomen dat de B.V. met ingang van 20 maart 2021 levenslang een jaarlijkse uitkering van € 20.654 bruto aan A betaalt en dat bij voortijdig overlijden van A levenslang een even grote uitkering aan de partner van A zal worden uitbetaald. Als zodanig is dus sprake van een “zuivere” periodieke uitkering, terwijl een “gerichte” periodieke uitkering meer voor de hand had gelegen.

In de B.V. was de stamrechtverplichting ultimo 2010 gewaardeerd op een bedrag van
€ 272.984 (inclusief kostenopslag) en rekening houdend met een rekenrente van 3%. De inspecteur heeft de stamrechtverplichting ultimo 2010 gecorrigeerd tot een bedrag van € 229.913 (inclusief een kostenopslag) en een rekenrente van 4%, waardoor een vrijval van € 43.071 optrad resulterend in een belastbare winst van € 40.665 in plaats van een negatieve winst van € 2.406.

A was het daar niet mee eens, omdat deze waardering in strijd zou zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP) alsmede met het in artikel 104 van de Grondwet vervatte legaliteitsbeginsel.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de inspecteur bij de waardering van de stamrechtverplichting ultimo 2010 terecht is uitgegaan van een rekenrente van 4%, overeenkomstig artikel 3.29 Wet IB 2001. De omstandigheid dat het waarderingsvoorschrift inbreuk maakt op het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel betekent echter niet dat deze bepaling buiten toepassing moet blijven wegens strijd met goed koopmansgebruik.