Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Wijzigingen Wft Vermogen in 2017

Op 1 januari 2017 zijn diverse wijzigingen doorgevoerd die van invloed zijn op het geven van een passend financieel advies. In dit bericht geven we daarvan een beknopt overzicht met betrekking tot de module Vermogen.

Zie voor enkele algemene wijzigingen per 1 januari 2017 het WftNU-bericht 'Wijzigingen Wft Basis per 1 januari 2017’ (zie Externe bronnen).

Sociale zekerheid
Per 1 januari 2017 zijn de AOW, Anw, WW, WIA, TW, Bijstandsuitkering, IOW, IOAW en IOAZ aangepast als gevolg van de stijging van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2017 omdat deze uitkeringen gekoppeld zijn aan het wettelijk minimumloon dan wel het wettelijk maximum dagloon. Voor iedereen van 23 jaar en ouder is het wettelijk minimumloon in 2017 € 1.551,60 per maand, uitgaand van een voltijds dienstverband (januari 2016: € 1.524,60). Overigens wordt het wettelijk minimumloon halfjaarlijks aangepast. 

Voor bijstandsgerechtigden gelden vanaf 2017 de volgende vermogensvrijstellingen:

  • € 5.940 voor een alleenstaande;
  • € 11.880 voor een alleenstaande ouder of voor een gezamenlijke huishouding;
  • € 50.100 voor de overwaarde van een eigen woning.

Het maximum dagloon bedraagt per 1 januari 2017 € 205,77 per dag (2016: € 202,17). Dat is op jaarbasis € 53.705,97 (2016: € 52.766,37).

De maxima voor een WW-uitkering stijgen daardoor tot € 3.356,62 (75%) voor de eerste twee maanden en daarna € 3.132,85 per maand (70%). Deze bedragen zijn inclusief vakantiegeld. Ook de maxima van de IVA en WGA zijn hierdoor veranderd. 

Pensioenopbouw
De opbouwpercentages voor middel- en eindloonregelingen worden per 1 januari 2017 niet verder aangepast en blijven: 

  • voor middelloonregelingen maximaal 1,875%.
  • voor eindloonregelingen maximaal 1,657%.

Voor pensioenregelingen waarbij de pensioenleeftijd lager ligt dan 67 jaar, zijn de opbouwpercentages lager. 

De AOW-leeftijd wordt vanaf 2022 verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden. De komende jaren zal deze AOW-leeftijd naar verwachting verder toenemen. Dit betekent dat er een verschil ontstaat tussen de pensioenrichtleeftijd en de AOW-leeftijd. Daarom is eind 2016 al besloten de pensioenrichtleeftijd aan te passen naar 68 jaar vanaf 2018. Dit betekent dat volgend jaar de opbouwpercentages zullen wijzigen (lager zullen worden). 

Omdat de AOW-bedragen zijn aangepast, wordt de minimale AOW-franchise voor pensioenregelingen van werknemers aangepast. In 2017 zijn de minimale AOW-franchises:

  • Voor een eindloonregeling € 14.850 (2016: € 14.657).
  • Voor een middelloonregeling/beschikbare premieregeling € 13.123 (2016: € 12.953). 

Pensioenopbouw met gebruik van de omkeerregeling is bovendien gemaximeerd op € 103.317 (2016: € 101.519). Daarboven is alleen nettopensioen mogelijk (met een vrijstelling in box 3). 

Pensioen in eigen beheer (DGA)
Pensioen in eigen beheer wordt in 2017 waarschijnlijk uitgefaseerd, hoewel definitieve stemming over invoering van de wet in elk geval al uitgesteld tot 1 april 2017. Ook als de uitfasering definitief wettelijk wordt vastgesteld, blijven de aparte AOW-franchises voor de DGA met een pensioen in eigen beheer relevant, zolang dit pensioen niet is afgekocht of wanneer dit is omgezet in een Oudedagsvoorziening. Daarom noemen we ook deze AOW-franchises. Vanaf 2017 geldt voor pensioen in eigen beheer:

  • Een minimale AOW-franchise van € 21.716 (2016: € 21.441) bij eindloonregelingen.
  • Een minimale AOW-franchise van € 19.191 (2016: € 18.948) bij middelloonregelingen/ beschikbare premie. 

Afkoop kleine pensioenen
De afkoop van een klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming is mogelijk indien het ouderdomspensioen op reguliere pensioendatum minder zal bedragen dan € 467,89 per jaar (2016: € 465,94 per jaar). 

Steeds meer werknemers hebben kortlopende contracten met een dergelijk kleine pensioenopbouw tot gevolg, waardoor vaker gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot afkoop. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft daarom aangekondigd het recht op afkoop van kleine pensioenen te willen afschaffen. In plaats daarvan krijgen pensioenuitvoerders die een dergelijk klein pensioen van een werknemer uitvoeren, het recht om dit kleine pensioen over te dragen aan een nieuwe pensioenuitvoerder van die werknemer (ook zonder instemming van die werknemer). De verwachting is dat deze wijziging op 1 januari 2018 in werking treedt. 

Lijfrenten
Het begrip ‘lijfrentespaarrekening’ wordt in de fiscale wetgeving vervangen door ‘lijfrenterekening’. 

De jaarruimte met betrekking tot uitgaven voor inkomensvoorzieningen bedraagt in 2017 maximaal € 12.598 (2016: € 12.355). Er geldt een maximale premiegrondslag van € 103.317 (2016: € 101.519). De minimale AOW-franchise in de derde pijler is € 12.032 (2016: € 11.996). 

De maximale jaarruimte kan ook als volgt berekend worden: 13,8% x (€ 103.317 -/- € 12.032) = € 12.598. De formule voor berekening van de jaarruimte is ongewijzigd gebleven ten opzichte van 2016. 

De reserveringsruimte bedraagt maximaal € 7.110 (2016: € 7.088) maar ten hoogste 17% van de geldende premiegrondslag (maximaal € 14.039 voor belastingplichtigen die aan het begin van het kalenderjaar een leeftijd hebben bereikt van 55 jaar en 9 maanden (2016: € 13.997)).

De maximale jaaruitkering voor de tijdelijke oudedagslijfrente is € 21.312 (2016: € 21.248). 

De fiscaalverzachtende afkoopregeling voor zogenaamde kleine lijfrenteverzekeringen met een waarde in het economisch verkeer wordt maximaal € 4.316 (2016: € 4.303). 

De maximale dotatie aan de oudedagsreserve blijft 9,8% van de winst. De absolute jaarlijkse maximumdotatie is wel verhoogd naar € 8.946 (2016: € 8.774). 

De lijfrentepremieaftrek voor stakende ondernemers wordt respectievelijk  € 450.631, € 225.323 of € 112.667 (2016: € 449.283, € 224.649 of € 112.330), afhankelijk van de leeftijd op het moment van staken, dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid of het direct laten ingaan van de uitkeringen. 

Kapitaalverzekeringen Eigen Woning (KEW)
Onder dit kopje wordt onder een KEW mede verstaan de Spaarrekening Eigen Woning (SEW) of het Beleggingsrecht Eigen Woning (BEW).

De KEW-vrijstellingen van 2017 zijn:

-          Bij 15 t/m 19 jaar premiebetaling:          €   36.900 (2016: € 36.800)

-          Bij 20 jaar of langer premiebetaling:      € 162.500 (2016: € 162.000) 

Bepaalde besluiten over toepassing van de KEW-vrijstelling zijn omgezet in wetgeving. Het gaat onder meer om het Besluit vervallen Tijdklemmen. Een KEW kan ook voordat de minimale premiebetalingsduur is verstreken belastingvrij tot uitkering komen in de volgende gevallen:

  • bij beëindiging van fiscaal partnerschap, waaronder ‘in het kader van de afwikkeling van een scheiding’,
  • het verkopen van de woning waarbij een restschuld overblijft,
  • bij gebruikmaking van schuldhulpverlening,
  • bij verhuizing naar een andere woning.

In alle gevallen moet de eigenwoningschuld of restschuld wel zo veel mogelijk worden afgelost met de vrijgestelde uitkering. 

Bij de behandeling van de belastingwetten in de Tweede Kamer is bovendien een amendement aangenomen, dat stelt dat de Tijdklemmen in zijn geheel moeten vervallen. Een meerderheid van de Kamer vindt dat iedereen met een KEW, SEW of BEW te allen tijde moet kunnen besluiten om de opgebouwde waarde te gebruiken om de eigenwoningschuld te verlagen zonder dat dit fiscale gevolgen heeft. Er moet alleen voldaan zijn aan de KEW-voorwaarden tijdens de looptijd (zoals de bandbreedte-eis). Dit amendement is op 1 januari 2017 nog niet in wetgeving omgezet, maar dat zal waarschijnlijk binnenkort wel gebeuren. 

Tot slot heeft de Kennisgroep van de belastingdienst in oktober 2016 een nieuw document gepubliceerd, waarin uitleg wordt gegeven over hun interpretatie van de wet met betrekking tot overgangsrecht van KEW’s, SEW’s en BEW’s. Het gaat met name om ‘hybride’ spaarvormen, waarbij een deel van het eindkapitaal gegarandeerd is en een deel niet. Het gaat te ver om de details hierover in dit kader te bespreken. In de externe links is een verwijzing naar het document opgenomen. 

Schenkbelasting
De tariefschijf en vrijstellingen voor de schenk- en erfbelasting wijzigen op 1 januari 2017. De eerste tariefschijf voor de schenk- en erfbelasting gaat omhoog naar € 122.269 (2016: € 121.903). De vrijstellingen voor de schenk- en erfbelasting worden allen geïndexeerd. 

  • De vrijstellingen voor de schenkbelasting bedragen in 2017:
    • Kinderen (jaarlijks): € 5.320 (2016: € 5.304)
    • Kinderen 18-40 jaar (eenmalig): € 25.526 (2016: € 25.449)
    • Kinderen 18-40 jaar (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor een dure studie: € 53.176 (2016: € 53.016)
    • Overige verkrijgers: € 2.129 (2016: € 2.122). 
  • Nieuwe vrijstelling van € 100.000 sinds 2017. De eigenschappen hiervan zijn
    • De nieuwe schenkingsvrijstelling is permanent; 
    • geldt alleen voor ontvangers van 18 tot 40 jaar;
    • mag alleen aangewend worden ten behoeve van de eigen woning;
    • en kan uitgesmeerd worden over drie aaneengesloten kalenderjaren. 

Voor deze vrijstelling geldt overgangsrecht. Als er al eerder gebruik is gemaakt van de verhoogde vrijstelling, dan is het effect van de eerdere schenking op de nieuwe vrijstelling afhankelijk van het moment waarop die schenking is gedaan.

  • Schenking in 2015 of 2016
    In deze jaren was de eenmalig verhoogde extra vrijstelling ten behoeve van de eigen woning € 53.016. Die vrijstelling geldt nu alleen nog voor dure studies en is geïndexeerd naar € 53.176. Als van die vrijstelling gebruik is gemaakt, kan in 2017 alsnog gebruik worden gemaakt van een maximale vrijstelling van € 100.000 -/- € 53.176 = € 46.824.
  • Schenking in 2010 t/m 2014
    Wanneer er in de jaren 2010 tot en met 2014 gebruik is gemaakt van de verhoogde vrijstelling, mag er geen gebruik meer gemaakt worden van de extra vrijstelling zoals die geldt vanaf 2017. In de toen geldende tekst stond dat het ging om een eenmalige vrijstelling en dat blijft zo, is de redenering. In 2013 en 2014 was deze vrijstelling overigens ook € 100.000.
  • Schenkingen tot 2010
    Hiervoor geldt een nog ingewikkelder regeling. Die is afhankelijk van het gegeven of er in de jaren 2010 tot en met 2016 al dan niet aanvullend is geschonken.
    • Er is van 2010 tot 2016 gebruik gemaakt van de inhaalvrijstelling van € 27.650:
      In dat geval kan er in 2017 nog gebruik worden gemaakt van een extra aanvullende schenkingsvrijstelling van € 46.824
    • Er is van 2010 tot 2016 geen gebruik gemaakt van de inhaalvrijstelling:
      In 2017 kan alleen nog gebruik gemaakt worden van een maximale extra vrijstelling van € 27.650. 

Erfbelasting
De vrijstellingen voor de erfbelasting bedragen in 2017:

  • Partners: € 638.089 (2016: € 636.180)
  • Kinderen en kleinkinderen: € 20.209 (2016: € 20.148)
  • Bepaalde zieke en gehandicapte kinderen: € 60.621 (2016: € 60.439)
  • Ouders: € 47.859 (2016: € 47.715)
  • Overige verkrijgers: € 2.129 (2016: € 2.122).

Overige relevante wijzigingen

  • Vanaf 1 januari 2017 zou de Packaged Retail Investment and Insurance-based investment Products (PRIIP’s verordening) in werking treden. De standaarden van deze verordening zijn echter door het Europese Parlement verworpen. Dit heeft tot gevolg dat de eerder aangekondigde invoering van het Essentiële-informatiedocument (Eid) als vervanger van de Financiële Bijsluiter vooralsnog wordt uitgesteld. In de loop van 2017 zal de AFM hierover na raadpleging met het ministerie van Financiën, meer duidelijkheid geven.
  • De Wet pensioencommunicatie is in 2015 aangenomen. Dat heeft effect vanaf de tweede helft van 2016. Pensioenoverzichten moeten worden aangeboden in het 1-2-3-format. Er zijn dan drie lagen van informatie:
    • Laag 1: de Startbrief vervalt en daarvoor komt een beknopte weergave van de pensioenregeling in de plaats. De deelnemer moet in 5 minuten inzicht krijgen in de hoofdlijnen van de pensioenregeling.
    • Laag 2: is een uitbreiding op laag 1. In een half uur tijd moet de deelnemer meer inzicht kunnen krijgen in zijn pensioenregeling. In beide lagen 1 en 2 moet een duidelijke verwijzing naar het pensioenregister (mijnpensioenoverzicht.nl) worden opgenomen en moeten de contactgegevens van de pensioenuitvoerder makkelijk te vinden zijn. 
    • Laag 3: alle informatie uit laag 1 en 2 komt terug in laag 3. Deze laag heeft geen vast format maar bestaat uit allerlei documenten die bij de pensioenregeling horen. Onder meer de pensioenregeling zelf behoort tot de verplichte informatie van laag 3. 

Alle 1-2-3-informatie wordt in beginsel digitaal verstrekt. Bij laag 1 gebeurt dit ‘actief’ (binnen 3 maanden). Naar de overige lagen wordt alleen verwezen. Ook het UPO-model is aangepast naar dit vereenvoudigde communicatiemodel.

  • Risicometer Beleggen NVB
    In september 2015 heeft de AFM een leidraad risicowijzer opgesteld. Daar is door de leden van de Nederlandse Vereniging van Banken invulling aan gegeven door de Risicometer Beleggen. Deze risicometer helpt particuliere beleggers bij het onderling vergelijken van verschillende risicoprofielen van beleggingsportefeuilles van de verschillende aanbieders.
    Hoewel toepassing van de Risicometer Beleggen (nog) niet wettelijk verplicht is, moet u deze wel kennen en kunnen uitleggen aan de klant in uw adviespraktijk. Zie voor meer uitleg de externe link over dit onderwerp. 
  • Gezondheidsverklaring
    Vanaf 1 januari 2017 kunnen levens- en inkomensverzekeraars een aangepast model Gezondheidsverklaring gebruiken dat is ontwikkeld in samenwerking met diverse patiëntenorganisaties en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG). De gemoderniseerde verklaring beoogt meer duidelijkheid te bieden over wat een consument bij het aanvragen van een overlijdens- of aov-verzekering wel en niet moet invullen. Zie voor verdere uitleg onder externe links.

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships