Zorgplicht bij afsluiten levensverzekering

Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat geen sprake is van een zorgplichtschending van een tussenpersoon, omdat er bij het afsluiten in 1977 geen verplichting bestond om aan te geven hoe de brutopremie zou worden gebruikt en welk deel daarvan gebruikt zou worden voor de kapitaalopbouw.

In 1977 sluit iemand een levensverzekering bij een levensverzekeraar via een tussenpersoon. De looptijd is 37 jaar. De polis vermeldt dat een groot deel van de premie bedoeld is voor de dekking bij leven en bij overlijden. Er staat verder niet vermeldt hoe dit premiedeel is gesplitst en hoe die premiedelen worden gebruikt. Dit is pas in 2010 alsnog meegedeeld.

Op de expiratiedatum in 2014 verwachtte betrokkene een uitkering van meer dan

€ 300.000 in plaats van de uitgekeerde ongeveer € 170.000. De tussenpersoon wordt voor het verschil aansprakelijk gesteld. De rechtbank wijst erop dat ten tijde van het afsluiten het beginsel van indirecte transparantie gold. Voorkomen moest juist worden dat een consument door te veel informatie over prijs en mogelijke opbrengst juist minder begrip zou krijgen voor de kenmerken en werking van het verzekeringsproduct.

Opsplitsing van de premie zou niet aan een geïnformeerde beslissing bijdragen en juist afbreuk doen aan de vergelijkbaarheid van verzekeringsproducten. Er blijkt verder ook niet dat tussenpersoon anderszins onjuiste informatie verstrekt heeft. Er blijkt niet van een schending van de zorgplicht.